Visietekst binnenmilieu

Gezondheidsbeleid - visietekst binnenmilieu

Binnenmilieu in scholen:

Ik voel me goed in mijn klas

   1. Inleiding

Onderwijs en preventie, een eindwerk op zich. Onderwijs en gezondheid, ook een eindwerk op zich. Hoe kunnen we beiden nu koppelen en hoe zorgen we er voor dat de leerkracht in zijn school en  de leerlingen in hun klas hier daadwerkelijk iets aan hebben en dat dit eindwerk niet in de kast zal belanden bij een heleboel andere beleidsdocumenten, geschreven in het ‘ambtenarees’?

Hoe passen we dit eindwerk in,  in het gezondheids- en welzijnsbeleid van onze scholengroep en zorgen we voor gestroomlijnde informatiekanalen en daadwerkelijke hulp bij problemen?

Vereenvoudigen zal het sleutelwoord worden in dit werk. Vereenvoudigen wil in deze ook zeggen, niet gebruik maken van een heleboel ingewikkelde, tijdrovende en vooral dure metingen, want hier heeft de leerkracht op de klasvloer geen boodschap aan. We willen immers een aantal eenvoudige steekkaarten met pasklare oplossingen voor alledaags gebruik in een klaslokaal aanreiken, een eerste hulp bij binnenklimaatproblemen als het ware.

Een afweging die niet eenvoudig is en gepaard gaat met het verliezen van een grote nauwkeurigheid wat betreft metingen en analyses. Maar ook een afweging die er hopelijk zal voor zorgen dat, aan de hand van de gemaakte steekkaarten, leerkrachten en leerlingen zich bewust worden van het binnenklimaat in hun klas en hier daadwerkelijk, zowel in hun werkomgeving als in hun thuisomgeving, zowel nu als in de toekomst, iets aan zullen doen.

Op het ogenblik dat er zich grote problemen voordoen op de klasvloer, kunnen wij onmiddellijk gespecialiseerde hulp sturen in de personen van onze interne diensten: de preventieadviseur, de energiecoördinator, de bouwcoördinator, onze technische ploeg of eventuele externen zoals de arbeidsgeneesheer,  ergonomen of experten allerhande  om bijkomende en accurate metingen uit te voeren.

Wij hebben allen immers maar één doel voor ogen: er voor zorgen dat ieder personeelslid en alle leerlingen zich goed voelen in hun vel en in hun klas!

Waarom nu een eindwerk over binnenklimaat?

Elke werkgever is verplicht om een welzijnsbeleid te voeren, gesteund op algemene principes zoals risico’s voorkomen, bij de bron uitschakelen of verminderen, voorkeur aan collectieve beschermingsmiddelen boven individuele, zorgen voor opleiding en informatie van de werknemers, … dit beleid moet worden geïntegreerd in het volledige management van de onderneming en er moet een multidisciplinaire aanpak zijn. Het beleidsinstrument dat de basis moet vormen voor een dergelijke planmatige aanpak wordt door de wetgever het ‘dynamisch risicobeheersingssysteem’ (DBRS)[1] genoemd.  Het woord dynamisch staat voor het systeem dat de evolutie van de onderneming of instelling van nabij moet gevolgd worden en dat de gegevens die erin vervat zijn voortdurend moeten worden geactualiseerd. Het risicobeheersingssysteem staat voor het van toepassing zijn op de risico’s verspreid over de 7 domeinen van de welzijnswet. De invloed van het leefmilieu op de arbeidsomstandigheden en ergonomie zijn twee van deze zeven domeinen.

Het risicobeheersingssysteem bevat de volgende aandachtspunten:

-          Mens: personeel en leerlingen

-          Machine-meubilair-toestellen-apparaten

-          Materiaal-producten-afval

-          Methode-pedagogische aanpak, vb het visueel voorstellen van risico’s

-          Motivatie-attitudevorming

-          Milieu (intern) – klimatologische omstandigheden-comforteisen

-          Middelen: geld-investeringen-planning (JAP – GPP)

-          Management: de visie en het beleid van het schoolbestuur

De risico’s moeten beheerd worden, d.w.z. dat er een overzicht gemaakt moet worden van de risico’s (op de arbeidsplaats) zodat de werkgever hier een zicht op heeft, en dit volgens een bepaald systeem, een vast omlijnde methodiek.

Deze risico’s moeten geëvalueerd worden, waarna er prioriteiten van aanpak vastgelegd worden(doelstellingen). Deze activiteit, die de kern uitmaakt van het DBRS, wordt risicoanalyse genoemd.

Het is de bedoeling om doorheen dit eindwerk het risicobeheersingssysteem van onze scholengroep wat betreft het binnenmilieu, met de nadruk op preventie aan de basis, onze leerlingen en leerkrachten in een klaslokaal, uit te schrijven.  

Naar aanleiding van de literatuurstudie en ervaringsbevraging in verband met binnenmilieu en gezondheid op school[2] waarin geconcludeerd werd dat de kwaliteit van het binnenmilieu op school niet optimaal is en een negatief effect heeft op de gebruikers van het gebouw, wat in deze kan beschouwd worden als risicoanalyse, mede gestoeld op onze eigen (subjectieve) ervaringen, hebben wij van het binnenmilieu in klaslokalen een speerpunt gemaakt.

Het binnenmilieu in een school is van belang omdat scholen vatbaarder zijn voor het vertonen van gebreken, dan andere gebouwen, vaak door een tekort aan financiële middelen. Scholen spenderen het geld dat voorhanden is meer waarschijnlijk aan didactische doeleinden dan aan infrastructuur[3].

Kinderen ademen in verhouding met hun lichaamsgewicht ook hogere luchtvolumes in, hun immuniteitssysteem is nog niet volgroeid en heel wat energie van het lichaam wordt dus gebruikt om te groeien. Daardoor hebben ze een grotere vatbaarheid voor polluenten uit de omgeving dan volwassenen[4].

De kwaliteit van het binnenmilieu in een school wordt hoofdzakelijk bepaald door de luchtkwaliteit, het thermisch, visueel en akoestisch comfort. In dit eindwerk zal ik ook een deel ergonomie in dit kader bespreken aangezien goede ergonomische condities ook zorgen voor het welbevinden van het personeel en de leerlingen.

Het is niet zo dat elke blootstelling aan vervuilende stoffen nadelig is voor de gezondheid. Dit is afhankelijk van vier factoren:

-          De soort vervuilende stof

-          De concentratie van de vervuilende stof

-          De duur van de blootstelling

-          De gevoeligheid van de persoon

Aangezien kinderen tijdens het schooljaar een groot deel van hun tijd op school doorbrengen, kan de blootstelling aan eventuele vervuilende stoffen aanwezig in de school, groot zijn. In een schoolomgeving dient bovendien rekening gehouden te worden met het steeds toenemend aantal kinderen die extra gevoelig zijn voor een slechtere kwaliteit van het binnenmilieu, bijvoorbeeld kinderen die lijden aan astma.[5]

Binnenmilieu kadert in ons gezondheids- en welzijnsbeleid. Een aantal jaren geleden zijn wij begonnen met het uitwerken van een gezondheids- en welzijnsbeleid op scholengroepniveau. Het is onze bedoeling om op beleidsmatig vlak te werken aan de gezondheid en het welzijn van al onze personeelsleden en leerlingen-cursisten.

Door het binnenklimaat in onze klaslokalen te optimaliseren, zal het discomfort en het ziekteverzuim verminderen en de werk- en leerprestaties, het welzijn en de gezondheid van onze personeelsleden en leerlingen verhogen.

De leerlingen worden niet steeds als werknemers beschouwd maar in deze zullen wij ze allemaal als dusdanig beschouwen.

De oorzaken van een slecht binnenklimaat zijn velerlei. Zij hangen hoofdzakelijk af van:

-          De mens

-          De omgeving

-          Gebruikte producten en materialen

-          Het milieu

Verbetervoorstellen voor renovatie en nieuwbouw zijn interessant maar zouden ons in dit eindwerk te ver leiden. Een leerkracht en een leerling heeft er vandaag geen boodschap aan dat bij een verbouwing zal gewerkt worden met bijvoorbeeld geluidsisolerende wanden.

Verbetervoorstellen voor wat betreft productgebruik met betrekking tot onderhoud, het aanpassen van de klasopstelling in verband met het visueel comfort en het verluchten van klaslokalen zijn haalbare voorstellen die op deze manier dan ook onmiddellijk ingang zullen vinden in veel scholen.

Het aanbieden van pasklare lespakketten en het aanreiken van gratis tools is een opdracht die dit eindwerk tot zich wil nemen door het uitwerken van steekkaarten voor de leerling en de leerkracht.

2. Voorstelling van de onderneming

Het GO! behoort tot de drie grote onderwijsnetten die erkend worden door de Vlaamse Gemeenschap.

Een scholengroep is een juridisch geheel van een aantal (geografisch bepaalde) scholen en instellingen, met aan het hoofd een algemeen directeur. De entiteit scholengroep treedt op als inrichtende macht ten opzichte van al zijn scholen, instellingen en de personeelsleden van deze scholen en inrichtingen.

Scholengroep Brussel is één van de  28 scholengroepen van het GO!, onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap.

3. Beschrijving van de organisatie van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk:

Bij KB van 1 maart 2000 werd vergunning verleend aan het GO! een Gemeenschappelijke Dienst voor Preventie- en Bescherming op het Werk op te richten. De voorschriften van het KB nr.S14.372/B van 18 februari 2003 betreffende de Interne dienst voor preventie en bescherming op het werk zijn van toepassing op deze preventiedienst.

Macroniveau: 

Deze interne dienst voor preventie en bescherming op het werk is een gemeenschappelijke dienst voor de 28 scholengroepen en administratieve diensten van het GO! De leiding is in handen van de preventieadviseur-coördinator die bijgestaan wordt door een administratieve dienst en een preventieadviseur die enkel belast is met psychosociale aspecten. Drie preventieadviseurs, met een bijkomende vorming veiligheidskunde niveau I zijn elk bevoegd voor een regio als regiomanager.

Mesoniveau:

Aan de overige preventieadviseurs (niveau II) wordt een bevoegdheidsgraad toegewezen op basis van de scholengroepen waarin het GO! is ingedeeld.

Microniveau:

Op het niveau van de scholen is voor elke school of scholencampus een contactpersoon aangesteld met een basisvorming veiligheid (niveau III)

Deze structuur heeft als voordeel dat er een eenvormig preventiebeleid mogelijk is over de verschillende onderwijsinstellingen en scholengroepen heen en dat de interne centrale dienst ondersteunend, adviserend, controlerend en coördinerend kan optreden naar de verschillende afdelingen op het gebied van administratie, documentatie, wetgeving, risicobeheersing, risicoanalyse, ongevallenonderzoek, opleiding, studies enzovoort.

 

Het organigram voor preventie in Scholengroep Brussel  is als volgt samengesteld:

Preventieadviseur-coördinator: Guy Linten

Preventieadviseur regiomanager: Francis Bruelemans

Preventieadviseur Scholengroep Brussel: Elsie Van Rossem

4. Beschrijving van de organisatie van het gezondheidsbeleid:

Macroniveau:

De centrale diensten van het GO! bieden tal van opleidingsmogelijkheden en ondersteunende maatregelen om scholen zowel structureel een gezondheidsbeleid te helpen opzetten als inhoudelijk hun doelstellingen te helpen uitwerken. Hiertoe werd een coördinator aangetrokken. lstellingen te helpen uitwerken. n om scholen zowel structureel een gezondheidsbeleid te helpe

Mesoniveau:

In iedere scholengroep werden twee ankerpersonen aangesteld om het gezondheidsbeleid uit te dragen naar de scholen van de scholengroep. Het betreft hier een ankerpersoon uit de scholen en een ankerpersoon vanuit het CLB.

Microniveau:

In iedere school werd een aanspreekpunt gezondheid aangesteld die er samen met de directeur voor zorgt dat het gezondheidsbeleid op schoolniveau vorm krijgt.

Het organigram voor gezondheidsbeleid in Scholengroep Brussel is als volgt samengesteld:

Algemeen directeur: Jacky Goris

Gezondheidscoördinator: Barbara Danis

Ankerpersoon gezondheidsbeleid CLB: Chris Savonet

Verweven organigram:

Als gezondheidscoördinator en directeur facilitair beheer bevind ik me tussen de administratieve diensten en de scholen, een unieke positie die een heleboel mogelijkheden opent om ingangen te vinden voor het implementeren van vernieuwingen en het uitschrijven van een beleid op scholengroepniveau dat gedragen kan worden op schoolniveau.

5. Beschrijving van de voornaamste risico’s [6]

Uit risico-inventarisaties die opgemaakt worden bij rondgangen in kleuter- basis- en secundaire scholen blijkt dat de voornaamste risico’s waaraan leerlingen en werknemers blootgesteld worden of waarmee ze geconfronteerd worden, de volgende zijn:

-          Elektriciteit

-          Brand en evacuatie

-          Asbest

-          Legionella

-          Voedselveiligheid/HACCP

-          Gasinstallaties of –opslagplaatsen

-          Val- of struikelgevaar

-          Arbeidsmiddelen, specifieke handwerktuigen of machines die voor bepaalde opleidingen gebruikt worden

-          Werken met derden

Het grootste aantal ongevallen gebeurt op de speelplaats (eventueel op speeltoestellen) of tijdens de lessen Lichamelijke opvoeding. Beide vertegenwoordigen ongeveer 1/3 van de ongevallen in de groep kleuter- en basisonderwijs. In het technisch en beroepsonderwijs komen de meeste ongevallen voor tijdens de praktijklessen en hebben dikwijls te maken met onvoldoende voorzichtigheid, gebrek aan ervaring en verouderde arbeidsmiddelen.

Het betreft hier enkel ongevallen, lichaamsklachten door stress, lawaai, ergonomische aspecten en dergelijke werden hier niet in meegenomen.

6.     Indicatoren van welzijn:

6.1 Weergave van ernst en frequentiegraad[7] voor scholengroep Brussel

jaartal

Fg

Wg

Geg

2006

31.29

0.41

0.41

2007

33.20

0.38

0.38

2008

33.90

0.38

0.38

2009

28.50

0.40

0.40

2010

27.97

0.40

0.40

Fg = frequentiegraad = aantal ongevallen per miljoen blootgestelde uren

Weg = werkelijke ernstgraad = aantal verloren kalenderdagen per 1000 blootgestelde uren

Geg = globale ernstgraad = (aantal verloren kalenderdagen = aantal forfaitaire dagen) per 1000 blootgestelde uren

Deze frequentie- en ernstgraden laten toe om cijfers van ondernemingen onderling te vergelijken en uiteraard ook om de onderneming te vergelijken met de sector waartoe ze behoort.

6.2 Doorlichtingen onderwijsinspectie

In haar schooldoorlichtingen heeft de onderwijsinspectie een deel welzijnsbeleid opgenomen. Uit deze verslagen kunnen wij afleiden waar zich tekortkomingen bevinden voor wat betreft het welzijnsbeleid op een bepaalde school. Zij hanteren hiervoor vier variabelen: de organisatie van het welzijnsbeleid, de veiligheid van de werkomgeving, gezondheid en hygiëne en milieu en quoteren dit op een niveau van 0 (onaanvaardbaar) tot 5 (voorbeeld van goede praktijk en integratie in het instellingbeleid[8]

7. Ik voel me goed in mijn school

7.1 Inleiding

Mijn opdracht bestaat er in het gezondheidsbeleid van onze Scholengroep vorm te geven. Hiertoe werk ik op zowel beleidsmatig als operationeel vlak samen met alle directeurs van onze scholen en met alle gezondheidscoördinatoren enerzijds en met de andere stafafdelingen, waaronder voornamelijk de stafafdeling infrastructuur en de preventieadviseur anderzijds.

Gezondheidsbeleid is nauw verweven met welzijnsbeleid en ik heb er dan ook voor geopteerd om, binnen het kader en de visie van ons gezondheidsbeleid, (een deel van) het welzijnsbeleid vorm te geven.

7.2 Welzijn, gezondheid en onderwijs: wettelijk kader versus kader van de    onderneming

In 1986 omschreef de Wereldgezondheidsorganisatie (Worldhealthorganisation WHO) in haar Ottowa-charter: gezondheid als een toestand van volledig fysiek, psychisch en sociaal welbevinden van een individu, een groep of een gemeenschap. Gezondheid is bijgevolg meer dan voldoende bewegen en gevarieerd eten. Dit wist de Romeinse dichter Decimus Junius Jevenalis (circo 62 – 142) reeds toen hij zijn gezegde “mens sana in corpore sano” (een gezonde geest in een gezond lichaam) declameerde.

Gezondheid is een totaalpakket, een keten die maar zo sterk is als zijn zwakste schakel. Een totaalpakket dat dus noopt tot een integrale aanpak.

Volgens de Europese richtlijn van 1989 en de welzijnswet van 4 augustus 1996 is elke werkgever  verplicht om een welzijnsbeleid te voeren, gesteund op algemene principes (risico’s voorkomen, bij de bron uitschakelen of verminderen, voorkeur aan collectieve beschermingsmiddelen boven individuele; zorgen voor opleiding en informatie van de werknemers). Dit beleid moet worden geïntegreerd in het volledige management van de onderneming en er moet een multidisciplinaire aanpak zijn.

De welzijnswet heeft het over zeven domeinen:

-          Arbeidsveiligheid

-          Gezondheid

-          Psychosociale factoren

-          Ergonomie

-          Arbeidshygiëne

-          Verfraaiing van de werkplaatsen

-          Invloed van het leefmilieu op de arbeidsomstandigheden

Het gezondheidsbeleid van onze Scholengroep behelst de volgende vijf domeinen:

-          Voeding

-          Verslavingen en middelengebruik

-          Beweging

-          Welbevinden

-          Veiligheid

Gezondheid en welzijn zijn bij ons dus volledig met elkaar verweven en worden dus als dusdanig zo beschouwd.

7.3  Wat hebben gezondheid en welzijn met onderwijs te maken

Het doel van een school is een kwaliteitsvol beleid voeren met als uitgangspunt het leren en ontwikkelen van kinderen. Om deze primaire taak te kunnen uitvoeren, moet voorzien zijn in de primaire behoeften van iedere actor, wat minder evident is dan op het eerste zicht lijkt.

Leren en ontwikkelen, zowel voor personeelslid als student, zal pas harmonieus kunnen verlopen en voldoende kans op slagen hebben, als men vrij is van andere besognes. Dit maakt dus dat het ultieme doel van ons onderwijs pas kan bereikt worden indien er aan de gezondheids- en welzijnsvoorwaarde voldaan is, wat gezondheid en welzijn bijgevolg verheft tot een zeer belangrijke, zoniet de belangrijkste voorwaarde om tot goed onderwijs te komen. Niet elk kind en niet elk personeelslid vertrekt vandaag vanuit deze positie, integendeel. De huidige levensstijl en leefgewoonten, het gebrek aan kennis en vaardigheden in verband met gezondheid en de zorg voor het eigen lichaam en de jachtigheid van onze maatschappij zorgen er voor dat een grote groep van studenten en personeelsleden niet optimaal kunnen functioneren.

Naast het aanbieden van kennis en vaardigheden moet er een omgeving gecreëerd worden waarin individuen in staat worden gesteld om meer controle te krijgen over hun gezondheid met als doel deze te kunnen verbeteren. Dit kan alleen door het opzetten van een integraal beleid rond gezondheid dat beschikt over voldoende correcte en concrete structuren en ondersteund wordt door een uitgewerkte regelgeving op alle niveaus binnen onze maatschappij.

7.4  Historiek: van gezondheidsvoorlichting en -opvoeding naar gezondheidspromotie, van veiligheidsbeleid naar welzijnsbeleid

Gezondheid is geen nieuw agendapunt. Reeds in de oudheid wisten mensen dat ze bepaalde voedingsmiddelen moesten vermijden en dat lichamelijke klachten door het gebruik van bepaalde middelen konden verholpen worden. In de twintigste eeuw werden miljoenen euro’s uitgegeven om campagnes inzake gezondheidsvoorlichting op touw te zetten. Later zou blijken dat deze campagnes er wel toe leidden dat mensen beter geïnformeerd waren over het al dan niet gezond zijn en dat zij zich, enerzijds door het stellen van bepaalde gedragingen, zichzelf aan risicogroepen toevoegden, anderzijds door het vermijden van bepaalde gedragingen, zichzelf een gezondere levensstijl aanmaten. Blijkt nu dat  dit niet voldoende was om de meerderheid van de bevolking aan te zetten tot blijvende gedragsveranderingen. Men moest dus op zoek naar een nieuwe aanpak.

Gezondheidspromotie werd voor het eerst naar voor gebracht door de WHO die in 1986 het Ottawa-charter opstelde. Gezondheidspromotie is volgens de WHO het proces waardoor mensen of groepen in staat gesteld worden om meer controle te verwerven over de determinanten van hun gezondheid(-sgedrag) om zo een staat van volledig fysiek, psychisch en sociaal welbevinden te bekomen. Dit als  antwoord op specifieke gezondheidsproblemen in landen met een hoog welvaartsniveau zoals België. Landen die, ondanks een goed uitgebouwde gezondheidszorg (met de traditionele gezondheidscampagnes) en een ingebed ziektepreventiebeleid, een zeer groot percentage inwoners hebben met welvaartsziekten zoals hart- en vaatziekten, verslavingen, psychische problemen ed. De te volgen strategie werd vanaf dit ogenblik: “gezonde keuzes meer voor de hand liggend maken”. Dit kan enkel door het gelijktijdig werken op verschillende actieterreinen en door samenwerking van zo veel mogelijk participanten die samen werken aan het voeren van een integraal beleid.

De welzijnswet is ook volgens dit principe opgebouwd. Vroeger was er vooral sprake van arbeidsveiligheid. Met het verleggen van de klemtoon, alsook de benaming naar ‘welzijn’swet, en het moeten voeren van een dynamisch risicobeheersingssysteem dat de basis vormt van een planmatige aanpak tot het bekomen van een heus beleidsinstrument, heeft men er voor gezorgd dat de bevolking zelf, de werknemers in dit geval, zich meer betrokken gaan voelen en beseffen dat welzijn meer is dan arbeidsveiligheid.

7.5  Visie op het voeren van een beleid

7.5.1 Beleidsvoerend vermogen van scholen

Scholen moeten een gezondheids- en welzijnsbeleid voeren maar scholen moeten vooral een integraal beleid voeren. Geen enkel beleidsplan vormt een op zichzelf staand onderdeel van het schoolbeleid, integendeel, alle beleidsplannen dienen zodoende met elkaar verweven te zijn dat er zo groot mogelijke correlatie ontstaat tussen alle verschillende onderdelen en dat het wezenlijke verschil tussen al deze beleidsdomeinen vooral terug te vinden is in het verschil in te behalen doelen. Indien voor ieder beleidsdomein een ander soort beleid gevoerd wordt, kan men bezwaarlijk nog van efficiëntie spreken en gaat kostbare tijd en energie verloren die beter kan gebruikt worden voor het effectief verwezenlijken van vooropgestelde doelen. Zo komen we terecht op het vlak van het beleidsvoerend vermogen van een school. Of een school kiest voor een synoptische beleidsvorming (vertrekkende vanuit een totaalvisie), een incrementele beleidsvorming (vertrekkende vanuit praktische dagelijkse problemen) of een mixed scanning approach[9] of welk ontwikkelingsmodel ook gebruikt wordt (EFQM, BSC, PDCA, Cockpitmodel, …) is van ondergeschikt belang. Een school moet zich goed voelen bij hetgeen ze doet en bij de manier waarop ze tracht haar vooropgestelde doelen te bereiken.

Een grote valkuil is mijns inziens het gebruiken van een bepaald model dat zijn kwaliteiten zeker bewezen heeft, maar niet op maat van de school geschreven is en niet past binnen de organisatiestructuur, -cultuur en visie van de school.

Een tweede valkuil is het gebruiken van te ingewikkelde modellen of terminologieën  zodat reeds een deel van de stakeholders afhaken doordat het opzet op te ingewikkelde wijze naar voor gebracht wordt.

7.5.2 Voorbeeldschema kwaliteitsvolle beleidsvoering Scholengroep Brussel

Het bovenstaande model is tot stand gekomen door het bestuderen van een aantal organisatieontwikkelingsmodellen en de vergelijkingen met de dragers van beleidsvoerend vermogen volgens Van Petegem, Van Hoof, Mahieu, Devos en Saveyn en probeert een vereenvoudiging – verduidelijking te zijn, waarmee ieder personeelslid van een school, maar vooral ook externe partners en ouders die geen pedagogische vooropleiding hebben genoten, aan de slag kunnen.

Vooraleer een beleidsplan kan opgesteld worden, is het nodig een algemeen kader te schetsen, zodoende er voor te zorgen dat bij acties die opgesteld worden, er nagedacht is en voldaan aan de noodzakelijke voorwaarden zoals weergegeven in het model.

Vooraleer gestart wordt met het opstellen van een beleidsplan, krijgen de personeelsleden (en eventueel andere stakeholders) van een bepaalde school, via korte opdrachten tijdens de opleiding, inzicht in bovenstaand model. Na het opstellen van het actieplan  zullen de gekozen acties steeds afgetoetst worden aan dit model. Ontbreekt er evenwel een schakel of zijn de acties niet voldoende op elkaar afgestemd, dan zal het actieplan moeten aangepast worden, wil het niet gedoemd zijn te mislukken.

De visie die tijdens deze opleidingen meegegeven wordt, is gebaseerd op het kunnen voeren van een kwaliteitsvol beleid, bestaande uit:

-          een integraal- inclusief beleid: HRM-beleid, financieel beleid, onderwijskundig beleid (pedagogisch-didactisch), zorgbeleid, veiligheidsbeleid, welzijnsheid, gezondheidsbeleid, ict-beleid, nascholingsbeleid, gokbeleid, zorgbeleid, …

-          een compleet beleid: alle schakels (lichaamsdelen) moeten aanwezig zijn en op elkaar afgestemd

-          een coherent beleid: zowel schoolextern als schoolintern moeten de verschillende planningen met elkaar in overeenstemming gebracht worden

-          een structureel beleid: structurele maatregelen op schoolniveau invoeren die de gekozen doelen ondersteunen

-          een regulerend beleid: interne (en externe) afspraken en regelgeving moeten in structuren uitgewerkt worden en consequent opgevolgd

-          een geïntegreerd beleid: samenwerking tussen alle niveaus (leerlingniveau – klasniveau – schoolniveau – niveau van de schoolomgeving) is cruciaal

-          een operationeel beleid: succesvol veranderen is een kwestie van planning en beheersing. Acties moeten gefaseerd ondernomen worden op verschillende niveaus

De zes ‘kapstokken’ die nodig zijn om dit beleid te voeren zijn:

visie

Een doelgerichte visieontwikkeling vereist strategisch denkvermogen en staat in relatie met de planning (BSA en SWOT). Visieontwikkeling begint bij het betrekken van de juiste mensen, het inventariseren van de belanghebbenden en de kenmerken die deze stakeholders willen terugvinden. Na het uitschrijven van de visietekst (en eventueel missie en waarden) moet deze intern en extern gevalideerd en desnoods verhelderd en aangepast worden. Voortdurende communicatie over de visie is in iedere organisatie van kapitaal belang.

In theorie begint men altijd met het uitschrijven van een visie maar in de praktijk komt het al eens voor dat men door een bepaalde actie of voorval beseft dat de uitgeschreven visie niet meer (helemaal) overeenkomt met de werkelijkheid of dat men tot de ontdekking komt dat men geen visie heeft uitgeschreven over een bepaald beleidsdomein. 

 

samenwerking

‘Wij’ weten meer dan ‘ik’. Te veel acties worden individueel ondernomen, ieder heeft zijn eigen doelen en bevindt zich nog te dikwijls op zijn eigen eilandje. Individueel doen we soms te veel omdat we een heleboel acties nodig hebben om een miniem resultaat te bekomen. Samen doen we dan weer te weinig. Intervisie en collegiale consultatie kan iedere leerkracht een beter zicht geven op de verticale samenhang (of het ontbreken hieraan door lacunes en overlappingen) in zijn school. Hiervoor is echter openheid en veiligheid nodig, wat in rechtstreeks verband staat met het aanwezig zijn van een goede teamgeest en een uitgewerkt mentornetwerk. Door hieraan te werken kan een gezamenlijke doelgerichtheid ontstaan. Door overleg kunnen acties op klasniveau en op schoolniveau meer op elkaar afgestemd worden, wat op termijn vaak tot een taakverlichting zal leiden omdat acties meer gestructureerd verlopen en ingebed worden in de reguliere schoolwerking, zodat onnodige herhalingen vermeden worden. Het uitwerken van een spiraalcurriculum zal aldus betere resultaten opleveren.

Een echte, hechte samenwerking, met betrokkenheid van alle interne en externe participanten, door het opzetten van netwerken, kan op deze manier leiden tot participatieve beleidsvorming en besluitvorming. Dit partnership vergroot het emotioneel eigenaarschap en de betrokkenheid van alle participanten.

Communicatie

Een hechte samenwerking en besluitvorming zonder communicatie is niet mogelijk, het bestaan van overlegstructuren, ingebed in de volledige schoolorganisatie maakt de samenwerking tussen alle participanten ook evidenter. Het bestaan van formele overlegkanalen biedt echter geen garantie voor echte communicatie, twee monologen maken geen dialoog. Luisterbereidheid is dus wel een voorwaarde. Op deze manier kan besluitvorming plaatsvinden op grond van dialoog, waarin gezocht wordt naar overeenkomsten in plaats van naar verschillen van opvattingen, meningen en ervaringen.

In een goede organisatie zien we dikwijls dat formele overlegstructuren zeer goed ondersteund worden door de informele communicatiekanalen, op voorwaarde dat er een veilige, open sfeer heerst en dat informele momenten er niet voor zorgen dat een aantal afspraken die gemaakt werden tijdens formele gesprekken, overboord worden gegooid.

Niet alleen intern dient er constant gecommuniceerd te worden, maar ook extern. Een school staat niet op zich maar is ingebed in een ruimere schoolomgeving, een omgeving waar ook onze klanten wonen, de ouders en onze studenten. Een omgeving waar dikwijls volledige netwerken bestaan, al dan niet formeel in sociaal-culturele verenigingen, die ons eventueel kunnen ondersteunen in onze taak. Dit geldt trouwens in de eerste plaats voor externen die wel bij het onderwijs betrokken zijn, denken we maar aan CLB, pedagogische begeleidingsdiensten en, inspectiediensten.

leiderschap

Lao Tse beschrijft in het boek van Tao een mooi voorbeeld van leiderschap. “Een leider is op zijn best als mensen nauwelijks weten dat hij bestaat, niet zo goed als mensen hem gehoorzamen en prijzen en op zijn slechtst als mensen hem minachten. Maar van een goede leider, die weinig praat als zijn taak vervuld is, zullen ze allen zeggen: dit hebben we zelf gedaan”.

Er bestaan tientallen leiderschapsstijlen en ieder leider moet ook tientallen stijlen kunnen hanteren, naargelang de situatie waarin hij zich op een bepaald ogenblik bevindt. Goed leiderschap is dikwijls balanceren, het evenwicht zoeken tussen taakgerichtheid en mensgerichtheid, de spanning tussen leiden, coachen en managen.

-          leiden: visie, passie, integriteit, lef, inspirerend, doorzettingsvermogen, incasseringsvermogen, …

-          coachen: teamorganisatieontwikkeling, individuele ontwikkeling, faciliteren, barrières doorbreken, …

-          managen: managen van mensen (organiseren, investeren, respecteren), middelen (geld, kennis, technologie, materiaal) en processen (identificeren en ontwerpen, invoeren, beheersen, doorlichten en verbeteren).

Hiervoor zijn een aantal competenties nodig zoals resultaatgerichtheid, teamleiderschap, relatiebekwaamheid, toekomstgericht denken, bezieling, flexibiliteit,  organisatietalent, probleemoplossend denken en overtuigingskracht.

planning

Planning is een cyclisch proces, elk bereikt doel is immers weer het begin van een nieuwe tocht, en zo tot het oneindige (Arthur Schopenhauer). Bij het opstarten van een bepaalde planning echter moeten we systematisch te werk gaan, anders dreigen we onszelf vast te rijden met alle gevolgen vandien. De uitwerking van het plan, de neerslag, kan nooit het uiteindelijke doel zijn maar een hulpmiddel om de focus te bewaren, het tijdspad te bewaken en een hulpmiddel bij de evaluatie.

resultaatgerichtheid

Een planning die niet (voldoende) streeft naar resultaten, naar te behalen doelen, is tijdverlies. Een sterke focus op resultaten maakt dat een school een integraal beleid voert. We streven hier niet alleen naar leerresultaten van leerlingen maar ook naar resultaten van docenten, van het team en van de school in zijn geheel. De school als lerende organisatie is hier het sleutelwoord. Uit de resultaten van een school kun je de mate van kwaliteitszorg distilleren. De zorg voor kwaliteit die systematisch, integraal en cyclisch is, waar systeemdenken en deskundigheidsbevordering volledig zijn ingeburgerd. Een organisatie groeit immers maar in de mate dat haar medewerkers groeien. Een resultaatgerichte organisatie neemt in zijn groei ook de tijd om constant te evalueren en bij te sturen indien nodig. Reflectie op basis van gegevensverzameling en analyse.

7.6 Het opstellen en uitvoeren van een beleid vanuit scholengroep- en scholengemeenschapniveau: Scholengroep Brussel

Een gezondheids- en welzijnsbeleid was in onze scholengroep reeds vanaf dag 1 een speerpunt maar wij hebben er ook voor gekozen om reeds een vijftal jaar geleden gezondheid effectief op de agenda te plaatsen, een niet zo evidente keuze als je nagaat welke nieuwe taken en regelgevingen er de laatste jaren dag na dag op scholen en scholengroepen afkomen.

Gezondheid en welzijn lijkt een evidente keuze maar het vergde moed van onze scholengroep om hier een effectief bestuursitem van te maken. Hierdoor  werd  wel een duidelijk signaal gegeven naar alle scholen die ressorteren onder onze scholengroep. Door het aanpakken van gezondheid en welzijn op beleidsniveau is het mogelijk om constant linken te leggen met andere beleidsdomeinen en een integraal beleid te voeren. Wij gaan voor niet minder dan een gezonde geest in een gezond lichaam, voor al onze personeelsleden en al onze leerlingen en cursisten.

                               7.6.1  Beleidsvoering

In onderstaande stappen wordt een mogelijk proces beschreven tot het voeren van een kwaliteitsvol beleid (dynamisch risicobeheersingssysteem – DRBS). Dit is beschreven in 10 stappen maar eigenlijk zouden het er meer moeten zijn omdat er tijdens het hele planningsproces constante communicatie nodig is. Voor, tijdens en na iedere stap moeten gerealiseerde en op stapel staande stappen gecommuniceerd worden met de belanghebbenden, wat de planning duidelijker zal maken voor iedereen.

Naar gelang de graad van beleidsvoerend vermogen en het bestaan van structuren, zullen sommige stappen kunnen omgewisseld worden en kan bijvoorbeeld eerst een werkgroep opgestart worden en dan pas de beginsituatie geschetst, of omgekeerd.

De mate van begeleiding door de scholengroep is een keuze van de school. In school A zal het voldoende zijn om een aantal materialen ter beschikking te stellen en in school B zal een heel traject aangewezen zijn, op de wijze die het best bij de school past en het tempo dat de school vooropstelt. Een vrijblijvende keuze als uitgangspunt, een goede gezondheid en blijvende gedragsverandering als doel van en voor iedere school, wat de weg ook moge zijn.

Door te kiezen voor een participatief beleid wordt een breder draagvlak gecreëerd en worden de personeelsleden en leerlingen een centrale figuur in het gezondheids- en welzijnsbeleid in plaats van enkel het voorwerp van gezondheid of preventie. Door te kiezen voor een model van beleidsvoering en participatieve overlegmomenten om het geheel van de arbeidssituatie te overlopen in plaats van enkel de risico’s te evalueren, zal gezocht worden naar de meest geschikte manier om de school beter te laten functioneren, en dit in zijn geheel, in zijn globale context.

                               7.6.2 Oriëntering en situering

Begin met een terreinverkenning. Bestaat er een draagvlak voor deze veranderingen of moet dit nog gecreëerd worden? Is de directeur en/of andere sleutelfiguren overtuigd van de nood aan verandering, wat een eerste vereiste is. Pas op dat ogenblik kan het startsein gegeven worden voor het opstellen van een nieuw beleid.

Op scholengroepniveau staat gezondheid en welzijn steeds op de agenda van het college van directeurs en de scholengemeenschappen. Een krachtig signaal. Ikzelf geef ook opleidingen aan directies over het voeren van een beleid en over gezondheid en welzijn in het algemeen. Dit jaar werken wij het thema binnenklimaat volledig uit. Directeurs kregen opleiding in verband met het voeren van een gezondheidsbeleid op school. Na sensibilisering van de directeur kan deze in zijn school aan de slag met de aangeboden materialen of kan kiezen voor het volgen van een volledig traject, op maat van de school.

                               7.6.3 Visieontwikkeling

Op dit ogenblik start het proces van visieontwikkeling, kan begonnen worden met het uitschrijven van de visie, de missie en de waarden in verband met gezondheid (of een ander beleidsdomein). Visieontwikkeling is niet alleen de taak van de directeur of het kernteam, alle participanten kunnen hierin hun steentje bijdragen. Op dit ogenblik kan reeds een ruwe versie gemaakt worden maar tijdens het planningsproces kan de uiteindelijke visie aangepast en verfijnd worden.

Het proces van visieontwikkeling werd gestart op scholengroepniveau, maar het uitschrijven van een specifieke schoolvisie blijft de taak van de school. Iedere school heeft immers haar eigen schoolcultuur, haar eigen werking en eigen accenten die niet van buitenaf kunnen of mogen opgelegd worden. Een visie moet groeien vanuit de organisatie zelf, wil ze enige kans hebben om gedragen te worden door alle actoren van de organisatie. Op vraag ga ik de scholen echter graag bijstaan in hun visieontwikkeling door aanwezig te zijn op werkgroepvergaderingen of door gesprekken te voeren met de directeur en contactpersonen. Mijn taak hierbij bestaat erin om gerichte vragen te stellen en me op te stellen als een kritische vriend, niet als een leverancier van visieteksten.

                               7.6.4 Schetsen van de beginsituatie en informeren naar behoeften

Vooraleer een veranderingsproces te starten, is het nodig een inventarisatie op te maken van hetgeen reeds in de klas, in de school en eventueel in de schoolomgeving gebeurt. Dit kan aan de hand van een SWOT-analyse of een ander analyse-instrument. De resultaten van een dergelijke inventarisatie en analyse zijn de aanleiding tot een bredere dialoog tussen de partners. Het vormt ook de aanzet voor een systematische procesopvolging en evaluatie.

Ik heb er voor geopteerd om geen gebruik te maken van de SOBANE-strategie met de deparismethode als dusdanig omdat de methode die wij gebruiken (en die ingeburgerd is in onze scholen) hier goed bij aansluit en voor een groot deel hetzelfde resultaat weergeeft. 

In samenwerking met onze informaticadiensten ontwikkelden wij op scholengroepniveau een instrument dat kan gebruikt worden door al onze scholen. Indien een school er voor kiest om dit instrument te gebruiken, staan wij er echter op dat alle personeelsleden (en in de toekomst ook ouders en leerlingen of cursisten) de kans krijgen om dit document in te vullen, dit omdat een goed beleid enkel mogelijk is als alle participanten betrokken worden bij de beleidsvoering.

Uit de verzamelde informatie komen de noden en behoeften van de school en de verschillende partners bovendrijven. De bespreking en interpretatie hiervan moet teruggekoppeld worden naar alle actoren.

Indien de school er voor kiest om een traject te volgen, worden de resultaten van de zelfevaluatie – beginsituatieanalyse door mezelf toegelicht. De noden van de school, de verwachtingen van de school, de sterke en de zwakke punten van de werking, worden besproken en aan de hand hiervan zal de school keuzes moeten maken voor haar verdere werking. Een eerste keuze is meestal het opzetten (of verder uitbouwen) van structuren om de werking te optimaliseren.

In onderstaand schema worden de resultaten van de SWOT-analyse schematisch voorgesteld. Scholen zien onmiddellijk wat de sterke punten en de knelpunten zijn van hun beleid en dit op de verschillende niveaus  en voor alle componenten zodat bijsturing op een efficiënte manier kan gebeuren.

Aan de hand van de resultaten van de analyse kunnen de prioriteiten die de school wenst te stellen onmiddellijk afgelezen worden. De beleidsthema’s waarvoor de school uiteindelijk als prioriteit kiest, worden verder uitgewerkt in het actieplan.

Beginsituatieanalyse - risicoanalyse– (tussentijdse) evaluatie

7.6.5 Opzetten van structuren

Het kiezen voor een werkgroep en een aanspreekpunt is in de meeste gevallen een evidente keuze. Het betrekken van leerlingen, ouders, het keuken-en poetspersoneel en externen bij deze werkgroep blijkt minder evident in vele scholen maar zij kunnen een zeer grote meerwaarde bieden en hun betrokkenheid bij het hele schoolgebeuren zal zienderogen stijgen. De overlegstructuur binnen de werkgroep en met de rest van de belanghebbenden moet transparant en werkbaar zijn.

Het is niet de bedoeling dat ik aanwezig ben op alle werkgroepvergaderingen in al onze scholen maar een helpende hand reiken bij het opstarten en het begeleiden van het planningsproces is meestal wenselijk, al is het maar door het aanreiken van materialen, werkvormen of het behoeden van de werkgroep om in traditionele valkuilen te stappen zoals het uitschrijven van een beleidsplan met tientallen acties zonder dat deze wezenlijke gedragsveranderingen vooropstellen. Ook hier weer is het de keuze van de school die primeert.

                               7.6.6 Prioriteiten bepalen

Een school kan niet tegelijkertijd aan alles werken, het kiezen van een beperkt aantal, maar voor de school juiste prioriteiten op een bepaald moment is van primordiaal belang. Linken moeten onmiddellijk gelegd worden met bestaande plannen binnen de schoolorganisatie.

De aanwezigheid van de directeur en de gokleerkracht(en) en/of zorgcoördinator (naargelang de structuur van de school) is een vereiste die op het eerste zicht niet steeds evident lijkt maar die van primordiaal belang is om beleidscoherentie te verkrijgen. Nog te vaak worden plannen helemaal naast elkaar geschreven en worden er in verscheidene plannen acties gepland die uiteindelijk hetzelfde doel nastreven, vb de ouderparticipatie verhogen. De prioriteiten die een school heeft, mogen niet verschillen van plan tot plan, van beleidsdomein tot beleidsdomein, maar moeten, om een goede diepgaande werking te verkrijgen, op elkaar afgestemd zijn.

Mijn taak in dit alles bestaat erin om de werkgroepleden er blijvend op attent te maken dat er linken moeten zijn tussen alle beleidsdomeinen, dat de schoolwerking en het schoolwerkplan één geheel moeten vormen en geen losstaande delen die met elkaar niets te maken hebben. Prioriteiten bepalen is een balanceren tussen draagkracht en het implementeren van vernieuwingen. Een gezond evenwicht zoeken en vinden is vaak niet eenvoudig, het doel is immers wezenlijke veranderingen te creëren en dit lukt niet indien de draagkracht van de helft van de personeelsleden overschreden is of door het niet durven bepalen van prioriteiten uit angst om het comfortgevoel van personeelsleden aan te pakken.

                               7.6.7 Doelstellingen formuleren

- Doelstellingen distilleren uit de gekozen prioriteiten is niet steeds evident. Doelstellingen moeten SMART zijn (specifiek, meetbaar, relevant en tijdsgebonden), met algemeen strategische doelen, die vaak zeer vaag zijn, is geen enkele leerling geholpen.

- Zorg voor een afwisseling van korte- en langetermijndoelstellingen. Kleine successen die op korte tijd kunnen behaald worden, werken stimulerend en vormen een onderdeel van het langetermijndoel.

- Doelstellingen moeten normerend en te evalueren zijn. Hoe zal anders kunnen vastgesteld worden dat ze behaald zijn.

- Zorg er ten slotte ook voor dat de doelstellingen realistisch (haalbaar) en aanvaardbaar zijn.

Na de prioriteitsbepaling en het formuleren van de doelstellingen, kunnen deze extern onder de loep genomen worden. Valkuilen worden dan besproken en eventueel aangepast.

                               7.6.8 Strategiebepaling en opstellen van het actieplan

Welke strategieën zullen we hanteren om de bepaalde doelstellingen te bereiken? Welke acties lenen zich het best om onze doelen te behalen? Alle doelstellingen moeten dus vertaald worden in acties.

Doordat iedere school deel uitmaakt van een netwerk (mogelijkheid), worden goede praktijkvoorbeelden doorgegeven en materialen kunnen uitgeleend worden. Zowel het CLB als ikzelf hebben een heleboel materialen en databanken ter beschikking, iedere school moet dus niet steeds opnieuw op zoek naar materialen en/of ideeën maar kan een beroep doen op de ondersteunende diensten binnen de scholengroep. Scholen worden ook aangemoedigd om samen te werken met een aantal organisaties zoals LOGO, green, … en ikzelf kan bij deze instaan als brug of hefboom tussen school en sector.

Het eigenlijke uitschrijven van het actieplan vereist dat er een duidelijke planning werd opgemaakt. De acties en doelen worden uitgeschreven op alle niveaus (leerling-, klas-, schoolniveau en niveau van de schoolomgeving) en bevatten zowel educatieve, structurele als regulerende doelen alsook de tijdspanne tot het behalen van deze doelstellingen en de evaluatiewijze.

Scholen kunnen zich steeds op mij beroepen voor het nalezen van hun plannen en het eventueel meewerken aan het tot stand komen van het plan. Het is echter niet de bedoeling dat ik het actieplan uitschrijf, een actieplan moet steeds ontworpen worden in de schoot van een organisatie, een bepaalde school in dit geval, en niet van buitenaf.

                                7.6.9 Uitvoeren acties

Tijd om over te gaan tot actie. Een constante terugkoppeling en tussentijdse evaluatie van de doelstelling en het proces zijn nodig zodat eventueel onmiddellijk kan ingegrepen worden indien een bepaalde actie en/of te bereiken doel verkeerd werd ingeschat.

Het is niet de bedoeling dat ik klasintern ondersteun (al hangt ook dit af van de afspraken die met de school gemaakt zijn) maar het geven van opleidingen voor schoolteams, leerkrachten (individueel, in groep en/of schooloverstijgend) of voor ouders is wel mogelijk en in vele gevallen zelfs wenselijk. De inhouden worden echter steeds vooraf besproken met de school, opleidingen zijn steeds ‘a la carte’ omdat iedere school verschillend is.

                               7.6.10 Evaluatie

Evaluatie van de planning en van het proces (procesevaluatie), evaluatie van de doelstellingen en de strategie (productevaluatie) en evaluatie van de resultaten naar aanleiding van effectief meten op alle niveaus (outputevaluatie).

Het opvolgen van het evaluatieproces van een schoolwerking en de resultaten die al dan niet behaald werden, is een wezenlijk onderdeel van het traject. Dit is een schakelmoment voor implementatie en een confronterend moment voor alle participanten, vooral indien vooropgestelde doelstellingen niet behaald werden. Het blijven geloven in eigen kunnen en het blijven geloven in de voordelen van het voeren van een gezondheidsbeleid, kunnen hier op de proef gesteld worden en een luisterend oor of een schouderklopje kunnen op deze cruciale momenten, wonderen doen.

                               7.6.11 Bijsturing

Eens de successen en de knelpunten gekend, kan men overgaan tot een systematische planning en implementatie van bepaalde acties die zullen verankerd worden in de schoolorganisatie en schoolcultuur en kunnen nieuwe doelstellingen opgesteld worden. Theoretisch zullen dan alle voorgaande stappen terug moeten hernomen worden maar in de praktijk zal het gehanteerde stappenplan meestal veel korter zijn. Scholen worden na een tijdje meer bedreven in het opstellen en uitvoeren van planningsprocessen zodat een aantal stappen van het planningsproces naadloos in elkaar kunnen overvloeien.

Op dit ogenblik is het de bedoeling dat het voeren van een gezondheids- en welzijnsbeleid op een bepaalde school verzelfstandigd zal worden. De school heeft het volledige traject doorlopen en moet nu in staat zijn om het beleid en het proces zelfstandig verder te zetten, wat niet wegneemt dat wij als scholengroep nooit neen zullen zeggen op een hulpvraag van scholen. Al is de weg soms zeer lang en moeilijk, het blijft steeds de moeite om hem te bewandelen.

7.6.12 Voorbeeld

Een school kiest ervoor om te werken rond geluid (prioriteitbepaling aan de hand van SWOT-analyse).

De vooropgestelde algemene doelstellingen zijn:

-          Alle participanten er van bewust maken dat te veel geluid schadelijk is voor het menselijk organisme.

-          Alle participanten er van bewust maken dat gehoorschade permanent is en dat dit een weerslag heeft op het gehele individu en zijn interactie met de omgeving

-          Alle participanten er van bewust maken dat nieuwe media       een grote rol spelen in het al of niet oplopen van gehoorschade

-          Het zorgen voor een geluidsarmere omgeving door kleine aanpassingen uit te voeren op schoolniveau en/of klasniveau.

Met als uiteindelijk doel: De gezondheid van zo veel mogelijk participanten verhogen.

Deze doelstellingen worden door de werkgroep verfijnd zodat ze voldoen aan de gestelde eisen (SMART, …)

De acties die hieraan kunnen gekoppeld worden, zijn zeer verscheiden:

-          Educatie voor personeelsleden en ouders rond de schadelijke gevolgen van lawaai.

-          Afspraken maken rond gebruik van gsm’s, mp3’s, radio in de klas.

-          Afspraken maken rond het refter- en speelplaatsgebruik

-          Het uitnodigen van een nko-arts die effectieve metingen komt uitvoeren

-          Het werken met uitgewerkte lespakketen zoals : amai mijn (h)oren, slimme mediashake, dit zowel klasintern als klasoverschrijdend (educatie leerlingen)

-          Uitwerken van (ludieke) acties zodat het ‘geluids’beleid als thema voor de hele school kan naar voor gebracht worden (educatie leerlingen).

-          Gemaakte afspraken vastleggen in beleidsdocumenten en correct communiceren naar alle participanten (gekoppeld aan eventuele sancties).

-          Welke structurele maatregelen moeten er getroffen worden om het plan correct te kunnen uitvoeren zoals bijvoorbeeld het aankopen en installeren van een geluidsmeter in de refter, …

De leden van de samengestelde werkgroep stellen aan de hand van deze gegevens het actieplan op en de acties worden verder geconcretiseerd met medewerking van zoveel mogelijk participanten. Wie meewerkt aan het uitschrijven van het actieplan hangt af van school tot school maar ik wil er toch voor pleiten dat zo veel mogelijk verschillende stakeholders betrokken worden bij het tot stand komen van het planningsdocument (alle personeelscategorieën, delegatie van ouders, delegatie van leerlingen, externe participanten, …) en dit om het actieplan zo veel mogelijk draagkracht te laten hebben en ze uit te schrijven op alle niveaus, met oog voor educatieve, structurele en regulerende maatregelen, de tijdspanne en de evaluatiewijze. De concrete acties worden uitgewerkt in onderstaand matrixmodel.

7.7. Ik voel me goed in mijn school: gezondheids- en welzijnsbeleid op schoolniveau

7.7.1 Situering en definitie

Gezondheidseducatie besteedt vanuit de gedragswetenschappen aandacht aan leefstijl en gedrag, en streeft gedragsverandering na. Maar dit blijkt niet voldoende om mensen te laten kiezen voor een gezonde leefstijl.

Gezondheidsbevordering heeft niet enkel oog voor educatie maar wil ook aandacht besteden aan de omgeving en het beleid om zo te komen tot structurele veranderingen die maken dat gezonde keuzes voor de hand liggen.

Gezondheidsbeleid ontstaat op het ogenblik dat gezondheidseducatie (gericht op leefstijl en gedragsveranderingen) en gezondheidsbevordering (gericht op het stellen van gezond gedrag) gebeuren in een georganiseerd kader met een welbepaalde visie (Olaf Moens)

Gezondheids- en welzijnsbeleid kan onderverdeeld worden in verscheidene onderdelen. We kunnen voor de school vijf grote deelplannen distilleren: voeding, beweging, welbevinden, verslavingen en middelengebruik (ziektepreventie) en veiligheid.

7.7.2 Matrixmodel

Om overzichtelijk te werken kan een matrix gebruikt worden bij de planning. Het Vlaams instituut voor Gezondheidspromotie en ziektepreventie (VIGEZ) werkte een matrixmodel uit dat zeer gebruiksvriendelijk en overzichtelijk is. Dit schema gaat uit van vier niveaus en drie componenten (vierde component: evaluatie).

Om een integraal beleid te voeren moeten we rekening houden met alle participanten die bij een school betrokken zijn, beginnende bij de individuele leerling, iedere klasgroep, alle personeelsleden en externen, in de eerste plaats de ouders, en moeten deze dus allen opgenomen (en betrokken) worden in het planningsmodel.

De drie componenten zijn: educatie (het uitwerken en opvolgen van leerlijnen en een curriculum zorgen voor een systematische aanpak van gezondheids- en welzijnseducatie), structurele maatregelen (op schoolniveau structurele maatregelen invoeren die de gezondheids- en welzijnsthematieken ondersteunen) en regulatie (interne afspraken en regelgeving rond gezondheid en welzijn).

leerlingniveau

klasniveau

schoolniveau

omgevingsniveau

educatie

Structurele maatregelen

Regulatie/afspraken

Participatie

evaluatie

7.7.3 Knelpunten en bedreigingen

Een school heeft voor het voeren van een beleid methodieken, materialen, deskundigheid en middelen nodig.

-          Methodieken en materialen: Er bestaan reeds een heleboel uitgewerkte lespakketten over alle beleidsdomeinen van welzijn en gezondheid, het is echter opletten  geblazen, niet het vele is goed maar het goede is veel. Door overleg en samenwerking leerlijnen opstellen, naar aanleiding van acties en ingevoegde structuren, is een voorwaarde om tot een efficiënt gezondheids- en welzijnsbeleid te komen op school.  Curriculumuitwerking is echter nog in volle ontwikkeling voor een aantal domeinen van welzijn en gezondheid. Vanuit scholengroep Brussel proberen wij de scholen te helpen met het opstellen van leerlijnen, het aanbieden van lespakketten en het doorgeven van goede praktijkvoorbeelden. Matrixen voor tientallen onderdelen van gezondheids- en welzijnsbeleid werden uitgewerkt en kunnen dienen als leidraad voor het opstellen van een leerlijn.

-          Deskundigheid: leerlingen kunnen pas deskundig worden op het ogenblik dat ze deskundig advies krijgen van hun leerkrachten (en externen). Deskundigheidsopbouw in het team is dus eveneens een vereiste voor een goed gezondheids- en welzijnsbeleid, temeer omdat dit in de meeste opleidingen slechts fragmentarisch aan bod kwam en niet volledig verwerkt is in het curriculum van de lerarenopleiding. Vanuit scholengroep Brussel hebben wij er voor geopteerd om (naast het reguliere aanbod), zelf een aantal opleidingen te geven aan onze personeelsleden, maar vooral, op maat van onze personeelsleden. Geen eenheidsworst, maar maatwerk, aangepast aan de noden van iedere  personeelscategorie (onderwijzend personeel, directeurs, verpleegsters, kinderverzorgsters, contactpersonen veiligheid en preventie, keukenpersoneel, …) en indien nodig, aangepast aan de noden van een bepaald personeelslid.

-          Middelen: financiële en materiële middelen moeten voorzien worden, maar ook tijd en medewerking. Tijd voor overleg, tijd voor het uitwerken, uitvoeren en evalueren van een degelijke planning en medewerking van alle participanten. Met de belangrijkheid van het voeren van een degelijk beleid in het achterhoofd kunnen we ons de vraag stellen of het niet opportuun zou zijn dat de overheid hiervoor een enveloppe (geld en punten of uren) zou voorzien, zoals nu reeds het geval is voor bijvoorbeeld ICT-beleid, gok- en zorgbeleid.

7.7.4 Sterktes en opportuniteiten

Dat het voeren van een gezondheids- en welzijnsbeleid op school niet onmiddellijk de oplossing zal zijn voor alle gezondheidsproblemen in onze maatschappij is evident, maar het onderwijs is echter wel een zeer voorname speler omdat zij de jeugd, de toekomst van onze maatschappij onder haar vleugels neemt en kan beroeren. Een gezonde levensstijl met goede eetgewoonten, voldoende beweging en een veilig gedrag wordt best van jongs af aan, aangeleerd. Scholen hebben een impact op het gedrag van kinderen en jongeren en kunnen er dus bijgevolg voor zorgen dat zij een bijdrage leveren aan de volksgezondheid.

De studenten zijn echter niet de enige belanghebbenden in ons onderwijs, ook de personeelsleden en de ouders mogen niet vergeten worden. Een efficiënte werking rond welzijn en gezondheid vereist bijgevolg een geïntegreerd schoolbeleid waarvan de werking zich zowel op klas-, school- en omgevingsniveau situeert.

Gezondheid en welzijn zijn ruime begrippen. De brede invulling vereist dat scholen op basis van hun eigenheid en behoeftes binnen hun werking een onderbouwde selectie van thematische acties maken en structuren opzetten.

Maar een gezondheids- en welzijnsbeleid staat niet alleen, het is een onderdeel van de gehele schoolwerking en heeft linken met alle andere beleidsdomeinen van de school, dus zeker met veiligheid. Ook de correlatie van gezondheid met kansarmoede en als dusdanig met de gok- en zorgwerking van de school is groot en ouderparticipatie bijvoorbeeld, kan een impuls krijgen door het samen werken aan gezondheid. Gezondheids- en welzijnsbeleid heeft dus een zeer inclusief karakter.

Door alle participanten constant te betrekken bij en inspraak te geven in het beleid, ontstaat er een breed draagvlak en worden weerstanden beter opgevangen, wat er toe zal leiden dat doelstellingen sneller en beter behaald kunnen worden. Wees echter niet bang van weerstanden want het zijn immers de dwarsbalken die er voor zorgen dat de trein uiteindelijk zijn bestemming zal bereiken.

Een gezondheids- en welzijnsbeleid opstellen en uitvoeren is een veranderingsproces. Het invoeren van veranderingen oefent een grote druk uit op de schoolorganisatie en personeelsleden, wat doorzettingsvermogen en flexibiliteit vereist. Zorg er dus steeds voor dat de gekozen activiteiten aansluiten bij de behoeften en noden van de betrokkenen. Niet alle acties zullen meteen slagen en niet alle geplande doelstellingen zullen onmiddellijk behaald worden maar met een goede planning en beheersing zullen veranderingen een hoge graad van succes hebben.

Het voeren van een gezondheids- en welzijnsbeleid impliceert het aanbieden van een gezond en veilig aanbod zodat gezondheid en welzijn een evidente keuze kunnen worden. Het geven van educatie, het invoeren van structurele maatregelen, het maken van afspraken via overleg, het opstellen van netwerken en het geven van inspraak zodat de betrokkenheid van alle participanten verhoogt, zijn noodzakelijke ingrediënten. Het vereist een hoge vorm van samenwerking, een goede planning en een hoge mate van resultaatgerichtheid, gestoeld op een gedragen visie.

Zo komen we tot de belangrijkste doelstelling. Het voeren van een beleid, met het oog op de effectieve gezondheid en het effectieve welzijn van al onze participanten. Door het voeren van een goed beleid kunnen we er voor zorgen dat het belangrijkste kapitaal van onze maatschappij, onze mensen, gezonder worden, zijn en blijven.

7.8. Ik voel me goed in mijn klas: gezondheids- en welzijnsbeleid op klasniveau

7.8.1 Inleiding

Dat het voeren van een beleid op schoolniveau niet noodzakelijk wil zeggen dat op iedere klasvloer op een goede manier gewerkt zal worden, is een evidentie maar zoals we eerder al aangaven is het soms moeilijk voor een leerkracht om door het bos de bomen nog te zien. Oog hebben voor het binnenmilieu in een klaslokaal is één zaak, weten hoe je dit daadwerkelijk moet aanpakken en wat de normen hiervoor zijn, is een andere zaak.

Als leidraad heb ik geprobeerd om bij de vijf besproken domeinen van binnenklimaat (thermisch comfort, geluid/akoestiek, luchtkwaliteit, licht/kleur en ergonomie), telkens een fiche voor de leerkracht te voorzien waarop kort een aantal gezondheidseffecten bij slecht binnenklimaat en de wettelijke vereisten voor een goed binnenklimaat uitgelegd worden. Waar mogelijk werden er ook een paar tips en didactische pakketten voorgesteld.

Bij ieder domein van binnenklimaat werd een fiche voor de leerling uitgewerkt. Het is de bedoeling deze fiches op te hangen in ieder klaslokaal. 75 % van de problemen die iemand ervaart door een slecht binnenmilieu kunnen op deze manier reeds opgelost worden. Wanneer de leerling hulp moet inroepen werd dit weergegeven door een pictogram van een onderzoeker met een vergrootglas.

Het is de bedoeling dat in eerste instantie de leerkracht dit kan oplossen en indien dit niet het geval is moet de leerkracht onmiddellijk de hiërarchische lijn en/of de contactpersoon veiligheid en welzijn inlichten.

Deze kunnen op hun beurt de bevoegde instanties, dit wil zeggen, de preventieadviseur, de bouwcoördinator, de gezondheidscoördinator en/of de algemeen directeur inlichten.

Vanop de centrale diensten van onze Scholengroep zal onmiddellijk interventie ondernomen worden, ofwel zelf ofwel door de arbeidsgeneesheer of andere experten van de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk. 

7.8.2 Ik voel me goed in mijn klas: geluid/akoestiek[10]

Blootstelling aan te veel geluid kan leiden tot ongewenste effecten op de gezondheid, zoals hinder, gehoorverlies, slaap- en rustverstoring en verschijnselen die samenhangen met stress zoals hart- en vaatziekten[11]. En ook al ervaart niet iedereen geluid op bepaalde momenten als lawaai en kan geluid soms een subjectief gegeven zijn, de gevolgen liegen er niet om.

De codex spreekt in dit verband van onderste en bovenste actiewaarden en grenswaarden voor het aanbieden van persoonlijke beschermingsmiddelen[12]. Vanaf 80 dB(A) (bij een blootstelling van 8 uur, moeten beschermingsmiddelen voorzien worden en vanaf 87 dB(A) zijn deze verplicht. Deze cijfers zijn (hopelijk) niet van toepassing in onze klaslokalen en we streven dan ook naar lagere waardes. Vlarem II geeft 36 dB(A) aan, geldend binnenshuis voor gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen, dus ook voor leslokalen. Bij beeldschermwerk mogen de 55 dB(A) niet overschreden worden. Wanneer je als spreker 50 dB(A) moet produceren om je verstaanbaar te maken, wordt dat door de anderen ervaren als een licht ongemak; 70 dB(A) wordt als hinderlijk ervaren.

De VLAREM-milieuwetgeving beschouwt scholen als ‘stilte behoevende instellingen’. Dit betekent dat bedrijven in de omgeving van scholen striktere geluidsnormen moeten volgen. Maar ook de school zelf moet zich aan bepaalde regels houden. Zo mag de school tussen 7 en 19 uur niet meer dan 45 dB(A) geluid produceren (naar buitenuit)[13].

Bij geluidsniveaus die doorgaans in scholen voorkomen zijn echter het psychische en emotionele effect van het lawaai belangrijker dan het risico op gehoorschade[14].

Een belangrijke oorzaak van gehoorschade is echter wel het gebruik van mp3 en aanverwante toestellen die leerlingen almaar frequenter gebruiken.

Het akoestisch comfort, meer bepaald de spraakverstaanbaarheid in klaslokalen wordt beïnvloed door geluid van buitenaf, door geluid van installaties aanwezig in de school, door het geluid van de aanwezige leerlingen en leerkrachten in de klas en door de akoestische eigenschappen van de gebruikte materialen in het klaslokaal.

Wat het geluid van buitenaf betreft is onderzocht dat een geluidsniveau van 40 tot 44 dB(A) binnen ten gevolge van wegverkeer in de omgeving van de school ervoor zorgt dat 70 % van de leraren en 20% van de leerlingen erge hinder ondervinden. De leerlingen ondervinden problemen met het nadenken, het verstaan van de leraar, lezen, praten met anderen en het uitvoeren van diverse oefeningen[15].

Een groot probleem voor wat betreft lawaaihinder in scholen zijn refters en overdekte speelplaatsen. Kinderen bevinden zich hier dikwijls met velen en de sfeer is wat losser zodat het geluidsniveau hier zeer hoog kan oplopen. Het plaatsen van een decibelmeter in de vorm van een verkeerslicht kan hier een oplossing bieden maar dit kost op dit ogenblik nog zeer veel. De eerste uit te voeren stap is het maken van afspraken op schoolniveau. Wat mogen leerlingen wel en niet en zijn afspraken duidelijk voor alle leerlingen en leerkrachten, en houden deze zich ook aan afspraken.

Sportzalen en zwembaden hebben bijkomend ook meestal een zeer slechte akoestiek. Ook nagalm is in deze ruimtes dikwijls aanwezig zodat zeer veel leraren lichamelijke opvoeding (en leerlingen) schadelijke gevolgen zoals verminderd gehoor ondervinden. Ook stemproblemen kunnen een indicator zijn van te veel lawaai. Ook de flutter echo (twee harde vlakke wandoppervlakken parallel tegenover elkaar)  in ongemeubelde of schaars gemeubelde ruimtes kan zorgen voor een grote vorm van discomfort. Geluidsabsorptie in deze  kan bestaan uit het aanbrengen van zachte materialen met een open structuur. Deze hebben een hoge geluidsabsorptie. De nieuwe norm NBN 01-400-2 ‘Akoestische criteria voor schoolgebouwen wordt weldra ter publieke enquête voorgelegd aan het Bureau voor Normalisatie.

Indien jij in jouw klaslokaal last hebt van nagalm, kan er misschien reeds een deel opgelost worden door het aankleden van de muren (kaders, kunstwerkjes van de leerlingen, gordijnen, …). Om te voorkomen dat lawaai zich van het ene lokaal naar het andere verplaatst, kunnen isolerende materialen aangebracht worden (pleister, zware materialen, …) en een geluidsabsorberende plafondafwerking beperkt de nagalmtijd en verhoogt de spraakverstaanbaarheid in klasruimten.

Tips voor de leerkracht:

-          Het meten van geluid en hier een heleboel lessen aan koppelen is één ding, maar ook hier weer bestaat de grootste taak van leerkrachten er in om de leerlingen te sensibiliseren en gehoorschade te voorkomen.

-          Een aantal goed uitgewerkte lessenpakketten of doekoffers zijn:

www.weesnietdoof.be  (vanaf 10 jaar) (Provincie Vlaams-Brabant)

www.amaimijnoren.be  (3-14 jarigen) (provincie Antwerpen)

www.slimmemediashake.be  (10-12 jarigen) (logo gezond + vzw en stad Gent)

Verdoorie: www.provant.be/pvi (secundair onderwijs)

www.lawaai.nl

www.oorcheck.nl (6 – 18 jaar)

www.orenomtehoren.nl (lagere school)

www.hoorzaken.nl (informatie over horen, werking van het oor, aandoeningen, …)

www.doofwordendoejezo.be (test)

www.ietsminderisdemax.be (Vlaams agentschap zorg en gezondheid – secundair onderwijs)

-          Laat leerlingen niet onnodig met stoelen en tafels schuiven. Overtrek indien gewenst alle stoelen en tafelpoten met tennisballen (gratis bij tennisclubs)

Enkele voorbeelden van streefwaarden van maximale                Decibelschaal met overeenkomende

geluidsniveaus in een bepaalde onderneming                                  waarden in micropascal en enkele

bron TELEAC[16]                                                                                                 alledaagse geluidsbronnen[17]

                                                                                                

Aard van het werk

Grenswaarde

dB(A)

Eenvoudig lichamelijk werk

-Grof-mechanische werkplaatsen

-Fabrieksschoonmaakwerk, smeerwerk

80

Geschoold lichamelijk werk

-mechanische werkplaatsen, sterkstroom werkplaatsen

-garagebedrijven

75

Lichamelijk werk met nauwkeurigheidseisen en routinematig administratief werk (geen dagtaak)

-fijn-mechanische werkplaatsen

-draaierijen, slijperijen

-grote schaftlokalen

-stuurhuizen, bedieningshuizen

70

Lichamelijk werk met hoge precisie-eisen en eenvoudig administratief werk met communicatie

-fijnslijperijen, fijndraaierijen

-typekamers, ponskamers, mechanische administratie

-stuurhuizen, bedieningshuizen (bewakingskarakter)

-eenvoudig teken- en ontwerpwerk

-kleine schaftlokalen

60

Administratief werk met intellectuele inhoud

-programmeurs

-procesregelaars, bedieningswerk voor kritische processen

- teken- en ontwerpwerk

-instructielokalen, conferentieruimten tot ongeveer 20 personen

55

Geconcentreerd afwisselend intellectueel werk

-privékantoren

-conferentiekamers tot ongeveer 50 personen

45

Geconcentreerd intellectueel werk

-leeszalen, bibliotheken, leslokalen

-spreekkamers (bijvoorbeeld medisch)

35


7.8.3 Ik voel me goed in mijn klas: thermisch comfort[18]

Er bestaan verschillende fysieke gezondheidseffecten van een slecht thermisch comfort. We kunnen onderscheid maken tussen effecten ten gevolge van een niet optimale temperatuur en effecten ten gevolge van een niet optimale relatieve vochtigheid.

Wat de temperatuur betreft gaat het vooral over het feit dat de optimale luchttemperatuur voor hersenactiviteit 20 °C bedraagt en dat warmteverschillen in de tijd (dag en nacht) en de ruimte kunnen bepalend zijn voor de groei van schimmels en huisstofmijt en daardoor ook de allergeenconcentraties in de ruimte.[19] In het ARAB[20] staat dat de minimumtemperatuur voor zeer licht werk 20°C bedraagt en voor licht werk 18°C. Deze temperatuur moet gemeten worden met een droge thermometer. De maximumtemperatuur mag hoogstens 30°C zijn en wordt gemeten met een vochtige globethermometer. Voor een klaslokaal kunnen wij met gemak deze waarden overnemen.

Soort werk

calorieverbruik

minimumtemperatuur

maximumtemperatuur

Zeer licht werk

+/- 90 Kcal/uur

20 °C

30 °C

Licht werk

+/- 150 Kcal/uur

18 °C

30 °C

Halfzwaar werk

+/- 250 Kcal/uur

15 °C

26,7 °C

Zwaar werk

+/- 350 Kcal/uur

12 °C

25 °C

Ten gevolge van een niet optimale relatieve vochtigheid kunnen weefsels sneller uitdrogen. Droge weefsels kunnen vatbaarder zijn voor infecties. Het uitdrogingseffect kan ook klachten opleveren bij mensen die lenzen dragen door een te snelle uitdroging van de ogen[21]. Een te hoge relatieve luchtvochtigheid verhoogt ook in belangrijke mate de microbenverspreiding en verlaagt het warmtecomfort[22]. Een optimale relatieve vochtigheid ligt tussen 40 en 70%[23].

Het thermisch comfort is het geheel van omgevingsparameters die de thermische sensatie van de mens beïnvloeden. Het thermisch comfort valt uiteen in het algemeen thermisch comfort en het lokaal thermisch comfort[24].

Het algemeen thermisch comfort wordt bepaald door de luchttemperatuur, de gemiddelde stralingstemperatuur, de luchtvochtigheid, de luchtsnelheid, de menselijke activiteit en de thermische isolatie van de kleding. Al deze factoren samen bepalen of men zich thermisch behaaglijk voelt in een gebouw.

Het lokaal thermisch discomfort wordt onder andere bepaald door tocht en hinder ten gevolge van koude vloeren. De temperatuur in het gebouw zelf kan dan op zichzelf goed zijn maar desondanks koelt een deel van het lichaam sterk af.

Een aangename luchttemperatuur ligt in normale omstandigheden tussen 18 en 22 °C. Omdat de temperatuur per lokaal kan verschillen is het sterk aan te raden om in elk lokaal een thermometer te hebben en thermostatische kranen voor alle radiatoren. Wanneer de buitentemperatuur dreigt op te lopen boven de 22°C, is het raadzaam de zonnewering te gebruiken. Werknemers (en dus ook leerlingen) moeten tegen de zonnestraling kunnen worden beschermd door om het even welke installatie die zich daarvoor leent[25].

Ook het opsporen van koudebruggen of uitgangen van bijvoorbeeld airconditioners die tocht veroorzaken is van groot belang voor het zich goed voelen in een lokaal en hebben op zich niets te maken met de eigenlijke temperatuur in het lokaal.

Een toestand van goed thermisch comfort zorgt ervoor dat de mens zich behaaglijk voelt doordat er een evenwicht is tussen de eigen warmteproductie, nodig om het lichaam op ongeveer 37°C te houden en de warmte-uitwisseling met de omgeving. Deze balans verschilt van persoon tot persoon. Iedereen een zelfde thermisch comfort geven in dezelfde ruimte is dus moeilijk haalbaar. Wel kan men ernaar streven een optimaal thermisch comfort te bekomen, met andere woorden, het grootst aantal personen tevreden stellen[26].

Tips voor de leerkracht:

-          In de meeste WO-methodes en themabundels voor het basisonderwjis komt klimaat, temperatuur, vochtigheid, … voor. Een opsomming van allerhande methodes heeft in deze dus niet veel zin. Een koppeling met bijvoorbeeld wiskundelessen door het leren berekenen van luchtvochtigheid, minimum- en maximumtemperatuur en het bestuderen van stralingswarmte zijn echter zeer zinvolle bezigheden. Dit alles inpassen in grafieken of het zelf maken van een natte thermometer zijn een grote meerwaarde voor de klaspraktijk.

-          Ook een koppeling met milieu en milieubesparende maatregelen is in deze zeer zinvol. In dit kader is de lessenreeks van mos in verband met energie zeer interessant.

-          Het maken van een anemometer, een natte thermometer of een hygrometer zijn voor het secundair onderwijs zeker een haalbare kaart.



7.8.4 Ik voel me goed in mijn klas: luchtkwaliteit[27]

Een slechte kwaliteit van de binnenlucht kan niet enkel hinderlijk, maar ook schadelijk zijn voor de gezondheid[28]. Uit onderzoek blijkt dat de volgende symptomen kunnen ontstaan door een slechte kwaliteit van de binnenlucht:

- allergieën

- verergering van astmaklachten

- hoofdpijn

- huidirritaties

- luchtwegeninfecties

- irritaties van de slijmvliezen van ogen, neus en keel

- sick building syndroom

De hoeveelheid verse luchttoevoer is van invloed op de output van de leerlingen, hoe minder ventilatie, hoe slechter de leerprestaties[29] en er bestaat een direct verband tussen de gemeten CO2-concentratie en de leerprestaties van leerlingen, hoe hoger de CO2-concentratie, hoe slechter de leerprestaties[30].

Er is sprake van een goede luchtkwaliteit als de binnenlucht geen verontreinigingen bevat in concentraties waarvan bekend is dat ze de gezondheid aantasten. De binnenlucht mag geen aanleiding geven tot schade noch hinder voor het menselijk lichaam, zowel op korte als op lange termijn[31].

In scholen zijn een aantal bronnen aanwezig die de binnenlucht kunnen verontreinigen.

Enerzijds wordt de binnenluchtkwaliteit beïnvloed door de aanwezigheid van de mens zelf. Indien niet voldoende wordt geventileerd kan de aanwezigheid van mensen een negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het binnenmilieu door:

-          Productie van CO2 (koolstofdioxide) en waterdamp bij ademhaling

-          De productie van bio-effluenten (lichaams- en geurstoffen)

-          De productie van warmte

-          De verspreiding van micro-organismen

Anderzijds wordt de kwaliteit van de binnenlucht bepaald door vier groepen verontreinigingen, namelijk chemische stoffen (stikstofdioxide, ozon, vluchtige organische stoffen, …), stof (fijn stof en huisstof), microbiologische partikels (mijten, schimmels, pollen, bacteriën, …) en vezels (asbest, glaswol, …).

Naast deze bronnen van binnenmilieuverontreiniging in de lokalen zelf, kunnen ook luchtverontreinigende stoffen vanuit het buitenmilieu de school binnendringen en er zich concentreren[32].

Het garanderen van een goede luchtkwaliteit gebeurt door de emissie van bronnen te beperken en te zorgen voor voldoende ventilatie. De idee hierbij is dat de buitenlucht in de meeste gevallen minder verontreinigd is dan de binnenlucht, zodat ventilatie zorgt voor een verdunning en verwijdering van de binnenluchtverontreiniging[33].

Door het luchtdichter maken van gebouwen, zonder het gepaard gaan van het aanbrengen van gecontroleerde ventilatievoorzieningen, is ventilatie dus hoofdzakelijk afhankelijk van het gedrag van de gebruiker.

Het controleren van de binnenluchtkwaliteit door de leerlingen en de leerkrachten zullen wij in eerste instantie in onze klaslokalen enkel doen door het meten van CO2-concentraties omdat deze de grootste oorzaak zijn van een slechte luchtkwaliteit. De toename aan CO2-concentratie loopt parallel met de toename van deze andere door de mens geproduceerde stoffen in de binnenlucht. Bovendien kunnen deze stoffen wel aanleiding geven tot gezondheidseffecten. Reeds bij een CO2-concentratie van 1200 ppm (parts per million of mm³ per m³ lucht) treden er klachten op maar om gezondheidsredenen wordt geadviseerd om te streven naar een lagere concentratie, meestal wordt hiervoor 1000 ppm genomen, voor klaslokalen is dit 1200 ppm. Een natuurlijke CO2-concentratie in de buitenlucht is 350 ppm.

In het ARAB vinden we nog dat de lokalen minstens 2.52 meter hoog moeten zijn, iedere werknemer moet beschikken over een werkelijke ruimte van 10 m³ en een vrije oppervlakte van 2m². De toevoer van verse lucht en de afvoer van bevuilde lucht worden verzekerd a rato van 30 m³ lucht per uur en per in de lokalen aanwezige werknemer. Dit zijn normen waarmee we moeten rekening houden bij de klasbezetting van de lokalen[34].

In onderstaande tabel kan een vergelijking teruggevonden worden van de belasting van de werkatmosfeer als gevolg van het verblijf van personen die verschillend werk verrichten[35].

 

Adem-

halings-

debiet (l/min)

O2-verbruik

CO2

(l/h)

warmte

(l/min)

(l/h)

(kcal/h)

(W)

Rust-liggen

Rust-staan

Licht werk

Wandelen

Zwaar werk

Zeer zwaar werk

Max. inspanning

6

8

16

26

30

50

65

100

0.24

0.36

0.75

1.20

1.50

2.4

3

4

14

22

45

72

90

150

180

350

12

20

40

66

80

135

162

270

70

100

200

350

420

625

840

1200

81.5

116.5

232.5

407

488.5

727

977

1395.6

1 kcal/h = 1.163 W

1 kcal/h = 4.186 J

Naast de federale wetgeving betreffende veiligheid, heeft ook Vlaanderen bij middel van het binnenmilieubesluit[36], normen vastgelegd die de maximale waarden van chemische, fysische en microbiologische argentia weergeven.

 Tips voor de leerkracht:

Het bestrijden van alle chemische, microbiologische en fysische argentia en omgevingsfactoren is een taak van iedereen. Als klasleerkracht is het beperken, en in de meeste gevallen verwijderen van chemische stoffen in klaslokalen zeer belangrijk. Staan er geen gevaarlijke producten in onze klaslokalen? (Uitgezonderd chemielokalen ed. voor chemielokalen, haartooi, garages, … bestaan er aparte screenings zoals bijvoorbeeld ook de overleggids deparis). Let in deze vooral op rondslingerende poetsproducten.

In Scholengroep Brussel hebben wij alle wildgroei van onderhoudsproducten verboden en werken wij enkel met biologisch afbreekbare onderhoudsproducten. Al onze poetsdames en –heren werden opgeleid (en worden gecontroleerd) op het werken met deze producten en het goed uitvoeren van hun andere taken zoals bijvoorbeeld het stofzuigen van tapijten, het gebruiken van ontsmettingsproducten en het correct doseren van producten om resten of uitdamping van vluchtige stoffen te voorkomen en het stofwissen in plaats van stof verplaatsen door het borstelen.

Een aantal goed uitgewerkte lespaketten rond binnenlucht in klaslokalen zijn: lekker fris en air@school. Ook de koppeling met energie (mos) is hier zeer aangewezen. Een koppeling met geestelijke gezondheid vinden we in www.fitinjehoofd.be en www.noknok.be



7.8.5 Ik voel me goed in mijn klas: licht[37]

Volgens Muyldermans en Sarens (2004), presteren mensen beter in klaslokalen met genoeg daglicht. Dit is echter niet steeds mogelijk vandaar dat bij verlichten nodig zal zijn al naar gelang van de ligging van het lokaal, de tijd van het jaar en de dag en de taak die op een bepaald ogenblik moet uitgevoerd worden. Daglicht is ook mee verantwoordelijk voor onze biologische klok. Door het daglicht wordt het hormoon melatonine aangemaakt dat ons dag- en nachtritme regelt. Door een tekort aan licht met voldoende hoge lichtsterkte wordt onvoldoende van dit hormoon afgescheiden, waardoor de biologische klok achterloopt.

De lichtinval is een andere grote factor in verband met het ondervinden van nadeel in een klaslokaal. Het is van groot belang computers en borden zodanig op te stellen dat er geen rechtstreekse lichtinval aanwezig is die voor reflecties of verblinding kan zorgen. De optimale kijkrichting is evenwijdig met het venster, verticaal onder de verlichting en tussen twee rijen verlichtingsarmaturen in.

[38]

Ook verblinding is een veel voorkomende klacht op school. Leerlingen worden hierdoor sneller vermoeid, met hiermee gepaard gaand mogelijk ook tijdelijke gezichtszwakte. Verblinding kan ontstaan door hinderlijke weerkaatsing van licht op het bord of de lessenaars of wanneer de zon in de winter laag boven de horizon staat en zeer dicht bij de kijkrichting komt te staan.

Het regelen van de lichtsterkte kan door het vervangen van lampen of het plaatsen van een dimmer en/of bij verlichten door het plaatsen van bijkomende (kleine) lichtpunten.

20 à 30%  van de mensen, waaronder ook kinderen, hebben lensaccomodatieproblemen waardoor klachten kunnen optreden zoals hoofdpijn en wazig of dubbel zicht. De lensaccomodatieproblemen kunnen ontstaan door gedurende lange tijd te kijken naar voorwerpen op korte afstand.

Het visueel comfort hangt af van een combinatie van factoren:

-          Fysische parameters (vb lichtsterkte (Lux), luminantie (L: maat voor het weerkaatste licht), kleurtemperatuur (Kelvin))

-          Karakteristieken eigen aan de omgeving (binnen of buiten)

-          Karakteristieken van de uit te voeren taken

-          Fysiologische factoren (vb leeftijd)

-          Psychologische en sociologische persoonsgebonden factoren (opvoeding)

De ervaring van licht is hierdoor in grote mate subjectief[39].

Verschillende onderzoeken geven aan dat een lichtsterkte van 200 tot 800 lux optimaal is voor klaslokalen. In het ARAB is hier niet echt eenduidig in. Hierin kunnen enkel luxeenheden afgelezen worden voor industrie en kantoorgebouwen, niet voor leslokalen[40]. Voor een klaslokaal moet er mijns inziens zeker 300 lux aanwezig zijn, dit is de opgegeven norm voor typwerk, zij het niet permanent.

50 lux

De volgende, binnen de gebouwen gelegen plaatsen: doorgangen, exclusief die in de warenhuizen, gangen, trappen, pakhuizen, opslagplaatsen en magazijnen voor ruwe of omvangrijke materialen, garages, alsmede alle andere plaatsen van analoge aard. Koelkamers, werkzaamheden die geen enkele waarneming van de details vergen: behandeling van grove materialen, ruwe sortering, breken van leemhoudende producten, grof werk of ruwbouw op scheepswerven en bij werken van burgerlijke bouwkunde, alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard

100 lux

Werkzaamheden die slechts een geringe waarneming van de details vergen: fabricage van half afgewerkte ijzeren of stalen producten, ruwe assemblage, malen van graan, uitpakken, sorteren en kaarden van wol, alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard. Machinekamers, stookplaatsen, personen- en goederenliften, pakkamers, lokalen voor ontvangst of verzending van goederen, laad- of losplaatsen waar gewerkt wordt, opslagplaatsen en magazijnen voor middelmatige en fijne materialen, alsmede alle andere plaatsen van analoge aard. Kleedkamers, toiletten, wasgelegenheden, eetvertrekken en andere plaatsen van analoge aard

200 lux

Werkzaamheden die een matige waarneming van de details vergen: gewone assemblage, machinaal fatsoeneren, bewerken van niet-geverfde textiel en niet-geverfd leder, inblikken van levensmiddelen, versnijden van vlees, bewerken van hout op werkbanken, walsen en knippen van werkstukken met grote afmetingen, monteren en uitdeuken van koetswerk, alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard.

300 lux

Werkzaamheden die een tamelijk scherpe waarneming van de details vergen: gewoon werk aan machines, precisieproeven, classificatie van meel, afwerken van leder, bewerken van niet-geverfde katoen, wol, zijde en kunstvezels, allerhande kantoorwerk, met inbegrip van intermitterend typewerk, confectiewerk behalve naaien en controle op de afwerking, herstellingen in garages, alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard. Schakelborden, weegtoestellen, toetsenborden en andere toestellen of inrichtingen van analoge aard

500 lux

Werkzaamheden die een scherpe waarneming van de details gedurende een lange tijd vergen: nauwkeurige assemblage, nauwkeurig werk aan machines, polijsten en afschuimen van glas, precisiewerk in de glasfabrieken, teken- en mecanografiewerk, permanent typewerk, bewerken van geverfde textiel en geverfd leder, fijn laswerk alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard. toonbanken

700 lux

Werkzaamheden die een zeer scherpe warneming van de details vergen: bewerken van geverfde katoen, wol,- en mecanografiewerk, waarbij een bijzondere grote verlichtingssterkte nodig is, alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard.

1000 lux

Werkzaamheden die een uiterst nauwkeurige waarneming van de details vergen: zeer nauwkeurige assemblage, beproeven van zeer gevoelige instrumenten, juweliers en horlogemakerswerk, classificeren en sorteren van tabak, zetwerk en nalezing van drukproeven in drukkerijen, naaien en controle op de afwerking in de confectieateliers, monteren van uiterst fijne onderdelen, bereiden, doseren en vermengen van kleurstoffen, alsmede alle andere werkzaamheden van analoge aard.

Tips voor de leerkracht:

-          Een koppeling met energie is op dit vlak zeker aan te raden. Moeten alle lichten steeds branden? Doen wij onze lichten steeds uit bij het verlaten van het klaslokaal? Branden de lichten in de gang de volledige dag?

-          Heb oog voor kinderen die voortdurend hun ogen moeten dichtknijpen, zij zien misschien niet voldoende.

-          Lampen die flikkeren moeten onmiddellijk vervangen worden want zij zijn zeer slecht voor de ogen.

-          Gebruik de zonwering op een correcte manier en overweeg eventueel een andere opstelling van tafels en stoelen indien zou blijken dat leerlingen last hebben van verblinding of reflecties.

-          Hebben de muren in jouw klaslokaal een gepast kleurtje? Onderzoek heeft uitgewezen dat de kleur van de muur een invloed heeft op de leerprestaties en het humeur van de leerlingen. Sommige kleuren weerkaatsen licht en anderen slorpen licht op. Welke kleur is geschikt voor jouw lokaal?



7.8.5 Ik voel me goed in mijn klas: ergonomie[41]

Ergonomie is niet onmiddellijk de eerste determinant wat betreft binnenmilieu maar het draagt op zich ook bij tot een grote mate van comfort of discomfort van leerlingen en leerkrachten in een klaslokaal. Indien niet kan gewerkt worden in goede ergonomische omstandigheden, zal men vroeg of laat hinder ondervinden, en dit bij onze leerlingen en leerkrachten vooral op het vlak van overbelastingsletsels en visuele letsels.

Overbelastingsletsels zijn een grote boosdoener op dit vlak. 80 % van de mensen krijgt ooit  te maken met rugklachten wat bij 60 % leidt tot ziekteverzuim. 33% van de werknemers hebben chronische rugklachten en steeds meer kinderen hebben reeds in de lagere school last van rugpijn. De oorzaken hiervan zijn terug te vinden in het verkeerd zitten, langdurig dezelfde houding aannemen, belastende houdingen en bewegingen, het tillen van lasten (zware boekentassen) en een gebrek aan beweging, overgewicht en stress.

Een andere grote oorzaak van discomfort of klachten is de inrichting van de lokalen. Het betreft hier zowel het meubilair zelf als de plaats en de opstelling van het meubilair in de ruimte. Door het moeten plaatsnemen op een stoel of tafel die niet aangepast is aan de mens, kunnen er letsels ontstaan zoals:

-          Overbelasting van de bovenste ledematen

-          Rug- en nekproblemen

-          Belasting van de onderste ledematen (vb ribbeldijen en circulatoire problemen)

De Europese norm EN 1729 schrijft verschillende hoogtes van schoolmeubilair voor in functie van de individuele lichaamsafmetingen van de leerling.

Leerlingen en leerkrachten die lange tijd aan een computer doorbrengen of naar een ‘smartboard’ kijken, ervaren een grote visuele belasting. 

Oogvermoeidheid ontstaat door:

-          Te weinig of te veel verlichting

-          Te grote lichtcontrasten

-          Lichtreflectie op het scherm

-          Te dicht of te ver van het scherm zitten

-          Te lang ononderbroken achter het scherm zitten

Een leidraad in deze kan gevonden worden in de codex bij de minimumvoorschriften met betrekking tot de apparatuur, de omgeving en de interface computer/mens, al moeten we hier de bedenking maken dat leerlingen meestal niet beschikken over bureaustoelen en grote werktafels, aangepast aan het werk en dat leerlingen zeer dikwijls werken op kleine laptops of ipads. Voorzichtigheid is dus in deze geboden voor wat betreft het hanteren van de normen die van toepassing zijn, ook al ben ik er van uit gegaan dat we in dit eindwerk de leerlingen als werknemers beschouwen, het zal nog niet voor morgen zijn om alle scholen deze financiële inspanningen te laten uitvoeren, laat staan de noodzaak hiervan te laten inzien.

Voorbeeldschema voor beeldschermwerk[42]

Tips voor de leerkracht:

-          Werden de boekentassen al eens gewogen? Het is trouwens niet voldoende om deze te wegen maar om de leerlingen ook te leren om niet steeds alles mee te sleuren en zich, mits een goede planning, steeds te kunnen beperken tot het hoogstnodige, en dus het minst zware. De nadruk zal ook moeten gelegd worden over het dragen van een boekentas, ook al is het niet ‘cool’ om een boekentas op de rug te dragen zodat het gewicht verdeeld kan worden over het volledige lichaam.

-          Zijn de tafels en stoelen aangepast aan de leerlingen die deze gebruiken? Is het niet mogelijk om stoelen en tafels te verwisselen van lokaal zodat iedere leerlingen over een voor hem zo passend mogelijke tafel en stoel kan beschikken?

-          Let jij er als leerkracht voortdurend op dat leerlingen op een correcte manier zitten?

-          Is de klasinrichting afgestemd op de kijkrichting van de leerlingen of moeten de leerlingen constant gedraaid de les volgen?

Speciale lessenpakketten zullen in dit geval niet echt soelaas bieden, het betreft hier gedragingen die moeten aangeleerd een constant gecorrigeerd worden. De leerlingen sensibiliseren en op een positieve manier bekrachtigen zal hier veel meer effect kunnen hebben. Lessenreeksen rond goede hef- en tiltechnieken zijn echter geen overbodige luxe en zouden in elke klaspraktijk moeten geïntegreerd worden.

Meer info kan gevonden worden op: www.ergonomiesite.be

 

8.Besluit

De perceptie van het binnenklimaat is sterk afhankelijk van persoon tot persoon. Desalniettemin bestaan er wettelijke normen voor een goed binnenklimaat. Dit zal niet de oplossing zijn voor alle ongemakken bij individuele personen maar het streven naar deze normen zal er voor zorgen dat het welzijn bij de meerderheid van onze leerlingen en personeelsleden zal verhoogd worden, wat een basisvoorwaarde is voor leren en werken.

In dit werk werd enkel het binnenklimaat van een doorsnee klaslokaal, zoals dit vandaag meestal ingericht en aangekleed is, behandeld. Er bestaan ook normen voor praktijklokalen en normen voor nieuwbouw, waar wij zeker rekening mee houden. Blijft echter het gegeven dat de meeste van onze leerlingen en personeelsleden les volgen en geven in ‘standaardlokalen’ in schoolgebouwen die een 60 à 40-tal jaar geleden werden gebouwd.

Richtwaarden zijn:

Temperatuur

18 – 22 °C

Geluid

< 36 dB(A)

Lichtsterkte

>300 lux

luchtvochtigheid

40-70 %

CO2

< 1200 ppm

ergonomie

Correcte zithouding en materiaal (stoel, tafel, beeldscherm)

Het is echter voor onze leerlingen en leraars niet mogelijk om correcte metingen uit te voeren aangezien hiervoor gespecialiseerde apparatuur nodig is. Indicaties kunnen echter wel opgespoord worden door gebruik te maken van gewone onderzoeksmiddelen. De middelen die de leerkracht hiervoor kan hanteren werden opgenomen in onderstaande tabel. Indien na onderzoek blijkt dat dit verder moet onderzocht worden, kunnen steeds correcte metingen gebeuren door de PA, de EDPBW of externen.

temperatuur

Gewone thermometer (natte thermometer kan indien gewenst zelf gemaakt worden)

geluid

Gratis app beschikbaar via www.noisetube.be om geluidsmetingen uit te voeren.

lichtsterkte

Luxmeter is te ontlenen bij de preventieadviseur, lichtstudie kan uitgevoerd worden door externen

luchtvochtigheid

Een hygrometer kan indien gewenst zelf gemaakt worden

CO2

CO2-meter kan ontleend worden bij PA en LOGO

Concreet worden in onze scholengroep risico’s opgespoord en raadgevingen gegeven door de jaarlijkse rondgang van de preventieadviseur en de arbeidsgeneesheer. Door de leerlingen en personeelsleden bewust te maken van het binnenmilieu in hun klaslokaal, door middel van het gebruik van de fiches, zullen zij weten welke risico’s zij lopen en na zelf oplossingen gezocht te hebben, sneller contact opnemen met de contactpersoon veiligheid, de contactpersoon gezondheid of de directeur van de school (hiërarchische lijn). Deze zal dan op zijn beurt de preventieadviseur kunnen inschakelen die, in samenspraak met de externe dienst, zal zorgen voor een opvolging.

Aangezien binnenklimaat een speerpunt is van ons welzijnsbeleid, zullen wij beleidsmatig werken (dynamisch risicobeheersingssysteem) door het aanreiken van tools en een uitgeschreven visie op scholengroepniveau. Dit zal als bestuursitem ingevoerd worden in het globaal preventieplan (GPP) van onze scholengroep en van alle individuele scholen. Door het meermaals uitvoeren van de beginsituatieanalyse (risicoanalyse), dit te evalueren (cyclisch proces) en dit te koppelen door het opstellen van concrete en haalbare doelen in het jaaractieplan (JAP) kan vooruitgang van het welzijn gemeten en op een duidelijke manier voorgesteld worden. Door op deze manier te werken, kunnen wij garanderen dat aandacht gegeven wordt aan de 8 M’s (mens, machine, materiaal, methode, motivatie, milieu, middelen en management).

Door het gelijktijdig op de hoogte brengen van de leden van de hiërarchische lijn, de gezondheidscoördinatoren en contactpersonen veiligheid, door de gezondheidscoördinator en de preventieadviseur van de scholengroep, krijg je een kruisbestuiving en weten de verscheidene actoren waarmee de andere bezig is. Zij moeten dit, eventueel met hulp van de preventieadviseur of de gezondheidscoördinator, instrueren in hun eigen school (gepland in maart 2012).

Wat de andere scholengroepen betreft zal dit via de gezondheidscoördinator van onze Scholengroep doorgegeven worden aan de centrale diensten en de gezondheidscoördinatoren van alle andere scholengroepen. Op dezelfde wijze zal de preventieadviseur zijn collega’s hiervan op de hoogte brengen (gepland in mei 2012).

Tot slot kan bij de onderwijsinspectie worden gevraagd of het mogelijk is om een concrete en actuele controlelijst welzijnsbeleid voor een gezond binnenmilieu uit te werken, zodat scholen nogmaals geconfronteerd zouden worden met de parameters voor een gezondheidsbeleid met aandacht voor het binnenmilieu. Op dit ogenblik spreekt deze controlelijst enkel over aangepast meubilair en over de algemene term: comfortvoorwaarden in lokalen.

Door onze leerlingen en leerkrachten, die zich op het primaire niveau van preventie bevinden, mee te laten denken over het binnenmilieu in hun klaslokaal, streven wij naar een bewustwording en een gedragsverandering. Door gebruik te maken van de fiches die in dit werk uitgewerkt werden, ben ik er van overtuigd dat vele volwassenen en volwassenen van morgen, hier voordeel zullen uit halen zodat ze voor de rest van hun leven kunnen zeggen, ik voel me goed in mijn school, ik voel me goed in mijn klas en ik voel me goed in mijn vel!

 

9.  Bibliografie

- Adhesia, werken met beeldschermen, 21pp

- C. Linders, Mensura, Basiskennis arbeidshygiëne, industriele toxicologie

- C. Linders, Mensura, Omgevingsrisico’s: klimaat, verlichting, verluchting, airconditioning, sickbuildingsyndroom

- Dirk delaruelle, Eur Erg, dept ergonomie, Mensura EDPB, cursus basisprincipes van antropometrie en ergonomie, werkplekinrichting

- K. De Doncker, Mensura, basiskennis van fysieke belasting

- Kind en gezin, DKF, ONE, studie “crèches”: uitwerken van een instrument om het binnenmilieu te evalueren en analyse van het binnenmilieu

- L. Jacobs, omgevingsrisico’s en meetoefeningen

- Logo gezondheidsoverleg, lokaal werken aan een goede kwaliteit van het binnenmilieu, 2008, 12pp

- logo, Universiteit Hasselt, Vlaams agentschap zorg en gezondheid, bevraging actoren secundair onderwijs over de verluchting van de klaslokalen, 2009, 41 pp

- Moens, O., Werken aan een gezondheidsbeleid op school, Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie, 2006, 16p.

- Ondersteuningscel Logo, Vlaamse gezondheidsinspectie, Vlaamse overheid, Binnenmilieu en gezondheid op school, literatuurstudie en ervaringsbevraging, 2005, 68 pp

- PVI Antwerpen, veiligheid en gezondheid bij de arbeid, 1991, 758 pp

- Reglementering van het welzijn op het werk, wet en codex over het welzijn op het werk, algemeen reglement voor arbeidsbescherming, federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, 2008, 640 pp

- Sablain, L., parameters voor het optimaliseren van veilige schoolgebouwen, coloma plus, 2008, 36 pp

- Scheys, L., Dynamisch risicobeheersingsysteem met kennis van primaire, secundaire, tertiaire preventie, eerst-, tweede- en derdelijstinterventie; multidisciplinariteit en interdisciplinariteit, cursus cresept

- Teugels J., veilige, gezonde en comfortabele schoollokalen, 2006, 63 pp

- Van Hauwaert, E. en De Winter, E., stapsgewijs naar een voedingsbeleid op het werk, lannoo campus, 2005, 240p.

- Van Hoof, J. en Van Petegem P., Pei/ijlen naar succesvol schoolbeleid, praktijkboek voor de beleidseffectieve school, Wolters Plantyn, 2006, 202p.

- Van Petegem, P., Devos, G., Mahieu, P., Dang Kim, T., Warmoes, V., Hoe sterk is mijn school?, Wolters Plantyn, 2005, 365p.

- Vito, binnenlucht in basisscholen (BIBA), M. Stranger, K. De Brouwere, R. Bormans, J. Lauwers, L. Verbeke, W. Swaans, G. Koppen, H. Willems, N. Bleux, J. Daems, R. Torfs, E. Goelen,

- Vito, Onderzoek naar de luchtkwaliteit van de binnenlucht in scholen: invloed van het buitenmilieu, van ventilatie en van klasinrichting, M. Stranger, K. De Brouwere, E. Goelen, E.  Govaerts, G. Koppen, H. Willems, R. Torfs, K. Desager, oktober 2009, 18 pp

- Wouters, E., Gezondheidsbevordering op het werk, een handleiding, lannoo campus, 2005, 202p.

 

10. Lijst met symbolen en afkortingen

BSA

beginsituatieanalyse

BSC

Balanced scorecard. Evaluatietechniek voor strategisch management en het behalen van langetermijndoelstellingen

CLB

Centrum voor leerlingenbegeleiding

Cockpit-model

Model voor effectieve beleidsvorming. Geeft aanknopingspunten voor de inrichting van een organisatie

dB(A)

De grootheid waarin de sterkte van het geluid wordt weergegeven. A staat voor gewogen decibel volgens de A-filter; een elektronische filter die zorgt voor een waarneming die overeenkomt met de geluidsbeleving van een mens. Wanneer het geluid wordt gemeten, niet zoals het reëel is, maar zoals het wordt gehoord, wordt het uitgedrukt in dB(A)

DBRS

Dynamisch risicobeheersingssysteem

DEPARIS

Methode voor opsporing van risico’s: DEpistage PArticipatif de RISques

EDPWB

Externe dienst voor preventie en bescherming op het werk

EFQM

European Foundation for Quality Management. Een gestructureerde methode van zelfevaluatie om een inzicht te verwerven in het niveau van uitmuntendheid van een organisatie.

EN

Europese norm

GGP

Globaal preventieplan

GO!

Onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap

HACCP

Hazard Analyses Critical Control Point

IDPWB

Interne dienst voor preventie en bescherming op het werk

JAP

Jaaractieplan

KB

Koninklijk Besluit

LOGO

Lokaal gezondheidsoverleg

lux

lichtsterkte

mos

Milieuzorg op school

PDCA

Kwaliteitscirkel van Deming (plan-do-check-act)

SMART

Doelstellingen zijn Specifiek, meetbaar, relevant en tijdsgebonden

SOBANE

Een strategie die opgebouwd is uit volgende stappen Screening – Observatie – Analyse en Expertise

SWOT

Strength – weaknesses – opportunities – threats van een organisatie of beleid tegenover elkaar gesteld in een analyse

VIGEZ

Vlaams instituut voor gezondheidspromotie en ziektepreventie

WHO

World Health organisation



[1] L. Scheys, Dynamisch risicobeheersingsysteem met kennis van primaire, secundaire, tertiaire preventie, eerst-, tweede- en derdelijstinterventie; multidisciplinariteit en interdisciplinariteit, cursus cresept

[2] Ondersteuningscel logo’s vzw, Vlaamse Overheid en Vlaamse gezondheidsinspectie, 2005

[3] Heath en Mendell, 2002

[4] Heath en Mendell, 2002

[5] Bayer ET AL, 2000

[6] Ethias Verzekeringen schoolpolis

[7] FOD WASO

[8] Vlaamse overheid, ministerie van onderwijs en vorming, onderwijsinspectie, controlelijst dynamisch welzijnsbeleid van instellingen, 34 pp

[9] Van der Krogt, 1985

[10] Binnenmilieu en gezondheid op school, literatuurstudie en ervaringsbevraging, december 2005.  Een samenwerking van onderstueningscel LOGO’s VZW en de Vlaamse Overheid – Vlaamse gezondheidsinspectie.

[11] Kelderman en Jongmans-Liedekerken, 2000

[12] Codex p 337 - 344

[13] Klasse, reportage geluidsoverlast, november 2011

[14] De Schrijver ET AL, 2003

[15] Haans ET AL, 2004

[16] Veiligheid en gezondheid bij de arbeid, PVI Antwerpen, 1991, 758 pp

[17] Veiligheid en gezondheid bij de arbeid, PVI Antwerpen, 1991, 758 pp

[18] Binnenmilieu en gezondheid op school, literatuurstudie en ervaringsbevraging, december 2005.  Een samenwerking van onderstueningscel LOGO’s VZW en de Vlaamse Overheid – Vlaamse gezondheidsinspectie.

[19] Kelderman en Jongmans-Liedekerken, 2000

[20] ARAB p 608-610

[21] Muyldermans en Sarens, 2004

[22] De Schrijver ET AL, 2003

[23] ARAB p 604

[24] Haans ET AL, 2004

[25] ARAB p 609

[26] De Schrijver ET AL, 2003

[27] Binnenmilieu en gezondheid op school, literatuurstudie en ervaringsbevraging, december 2005.  Een samenwerking van ondersteuningscel LOGO’s VZW en de Vlaamse Overheid – Vlaamse gezondheidsinspectie

[28] Van Doorn en Wouters, 2004; Muyldermans en Sarens, 2004

[29] Mendell en Heath, 2002

[30] Myhrvold ET AL, 1996

[31] Muyldermans en Sarens, 2004

[32] De Schrijver ET AL, 2003

[33] GGD, 2002

[34] ARAB p 604

[35] Veiligheid en gezondheid bij de arbeid, PVI Antwerpen, 1991, 758 pp

[36] Besluit van de Vlaamse regering houdende maatregelen tot bestrijding van de gezondheidsrisico’s door verontreiniging van het binnenmilieu (BS: 19/10/2004)

[37] Binnenmilieu en gezondheid op school, literatuurstudie en ervaringsbevraging, december 2005.  Een samenwerking van ondersteuningscel LOGO’s VZW en de Vlaamse Overheid – Vlaamse gezondheidsinspectie

[38] Verblinding door reflectie, Veiligheid en gezondheid bij de arbeid, PVI Antwerpen, 1991, 758 pp

[39] Muyldermans en Sarens, 2004

[40] ARAB p 605-607

[41] K. De Doncker, basiskennis van fysieke belasting, cursus cresept     

[42] Adhesia, Dr. Hugo Smets, ergonoom bedrijfsarts